Ooit deed ik een week lang een theatercursus bij Buitenkunst met de titel Opnieuw. Het idee was dat je ging herhalen, op een manier waarbij iedere herhaling een nieuwe eerste keer was. Zo sprong ik ruim een halve dag enthousiast omhoog alsof ik nog niet eerder gesprongen had, en moest ik zeker anderhalve dag steeds weer opnieuw in slow motion in eenzelfde tempo naar beneden zakken en weer opstaan. We kregen een tijdsduur (de duur van een lied, vijf minuten vanaf nu) en mochten ons tempo niet versnellen of vertragen. Het klinkt vast allemaal niet heel erg spannend, maar ik heb nog steeds warme herinneringen aan die week. Ik kwam er namelijk achter dat er ontelbare manieren zijn om iets wat hetzelfde lijkt op een andere manier te doen.
Het voelt alsof ik nu ook opnieuw ga beginnen. En dan heb ik het niet over het nieuwe jaar, en de twaalf lege maanden die voor me liggen en die ik mag gaan inkleuren. Tien jaar geleden studeerde ik af, ging ik op zoek naar werk, en vond ik langzaam mijn weg. Ik ontdekte wat ik leuk vond en wat ik echt niet wilde. Ik hopte van klus naar klus, tot ik uiteindelijk besloot het zekere voor het onzekere te nemen en een 'echte' baan te zoeken. En door een mooie speling van het lot werd de baan waarvan ik bij mijn sollicitatie wist dat hij voor mij was ook echt de mijne.
En nu, na zes jaar op een heerlijke plek gewerkt te hebben, kies ik het onzekere voor het zekere. Ik duik in een nieuw avontuur, waarin ik ga proberen te doen wat ik nog niet zo goed kan: mijn hart volgen. Ik ga proberen de dingen te doen die ik echt wil doen, maar die ik eigenlijk veel te eng vind om te doen. En steeds vaker denk ik aan de cursus die ik jaren geleden deed, en het plezier waarmee ik een week lang zonder veel moeite naar beneden zakte en mezelf weer omhoog duwde. Wanneer mijn dagelijkse paniekaanval langs komt en het voelt alsof ik in een bad ijskoud water spring, focus ik me er maar op dat ik steeds weer omhoog kwam. Zo zal het in de echte wereld ook vast gaan.
Ik begin opnieuw.
Posts tonen met het label Tekstje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tekstje. Alle posts tonen
woensdag 9 januari 2013
dinsdag 29 november 2011
Tijd
De tijd lijkt soms te vliegen. Of voort te daveren. Te verdwijnen in een zwart gat. Opgeslokt te worden door ondefinieerbare 'dingen'. Onopgemerkt voorbij te glijden. Zich te verstoppen om ongezien weg te glippen. De tijd gaat, met andere woorden, te snel. Veel te snel. Zodat uren overgaan in dagen, en dagen opeens weer weken geleden zijn.
Drie jaar lang heb ik met grote regelmaat mijn gedachten opgeschreven. De afgelopen maanden heb ik ze alleen maar kunnen denken. Omdat de tijd om ze op te schrijven zich niet aandiende. Of omdat ik de tijd er niet voor nam. Want dat is het natuurlijk ook met tijd: je kunt hem ook nemen. En dan is hij er misschien wel.
Zo nam ik de tijd om naar Berlijn te gaan. Om te werken. Om met vrienden naar de film te gaan. Koffie te drinken. Me te laten inspireren. In theaters te zitten. Ik nam, met andere woorden, de tijd om de dingen te doen die ik wilde. En schrijven hoorde daar even niet bij.
En toch is dat niet helemaal waar. Want ik schreef wel. In mijn hoofd. Een hele rits schrijfsels wacht nog steeds op het moment dat ze zichtbaar voor me op het scherm zullen verschijnen. Eens in de zoveel tijd weten ze zich een weg naar voren te dringen, en doemen ze ineens weer op in mijn gedachten. Als ze geluk hebben verworden ze tot een paar woorden in een boekje, die ooit moeten leiden tot een verhaal. Maar in dat boekje staan ze dan weer in lange rijen van andere gedachten die zich ook zo wisten te manifesteren, en die net zo belangrijk zijn, en dus net zo hard om aandacht schreeuwen. En in de tussentijd schrijdt de tijd weer met grote passen vooruit en is er weer een week voorbij, waarin nog steeds geen gedachten uitgeschreven zijn, en waarin de rij met uit te schrijven schrijfsels weer is gegroeid door meegemaakte avonturen.
En dan is er opeens soms iets dat je doet realiseren dat je toch wel echt zelf de tijd moet nemen, en dat die tijd nu is. De inspiratie is deze keer niet een boek van Eckhart Tolle, of een TED Talk over nuttige tijdbesteding. De inspiratie komt van Woody Allen, en zijn prachtige laatste film, Midnight in Paris. Waarin het verlangen naar andere tijden op magische wijze werkelijkheid wordt, maar waarin het heden uiteindelijk lijkt te winnen. Parijs in het Fin de Siecle, of in de twintiger jaren, toen alles nog goed was, tegenover het Parijs van nu. Niet minder goed, wel misschien minder romantisch. Omdat uiteindelijk altijd weer mensen naar vervlogen tijden verlangen. Twee dagen voor het zien van de film liep ik in het Van Gogh Museum, en keek ik naar schilderijen uit diezelfde periode. Zag ik hoe Van Gogh in Nederland nog donkere, grauwe appels schilderde, om twee jaar later, beinvloed door precies datzelfde Parijs, opeens uit te barsten in kleur en gevoel.
Het is tijd om weer aan de slag te gaan. Om te kiezen voor de dingen die belangrijk zijn. Tijd om te schrijven. Om te delen.

Drie jaar lang heb ik met grote regelmaat mijn gedachten opgeschreven. De afgelopen maanden heb ik ze alleen maar kunnen denken. Omdat de tijd om ze op te schrijven zich niet aandiende. Of omdat ik de tijd er niet voor nam. Want dat is het natuurlijk ook met tijd: je kunt hem ook nemen. En dan is hij er misschien wel.
Zo nam ik de tijd om naar Berlijn te gaan. Om te werken. Om met vrienden naar de film te gaan. Koffie te drinken. Me te laten inspireren. In theaters te zitten. Ik nam, met andere woorden, de tijd om de dingen te doen die ik wilde. En schrijven hoorde daar even niet bij.
En toch is dat niet helemaal waar. Want ik schreef wel. In mijn hoofd. Een hele rits schrijfsels wacht nog steeds op het moment dat ze zichtbaar voor me op het scherm zullen verschijnen. Eens in de zoveel tijd weten ze zich een weg naar voren te dringen, en doemen ze ineens weer op in mijn gedachten. Als ze geluk hebben verworden ze tot een paar woorden in een boekje, die ooit moeten leiden tot een verhaal. Maar in dat boekje staan ze dan weer in lange rijen van andere gedachten die zich ook zo wisten te manifesteren, en die net zo belangrijk zijn, en dus net zo hard om aandacht schreeuwen. En in de tussentijd schrijdt de tijd weer met grote passen vooruit en is er weer een week voorbij, waarin nog steeds geen gedachten uitgeschreven zijn, en waarin de rij met uit te schrijven schrijfsels weer is gegroeid door meegemaakte avonturen.
En dan is er opeens soms iets dat je doet realiseren dat je toch wel echt zelf de tijd moet nemen, en dat die tijd nu is. De inspiratie is deze keer niet een boek van Eckhart Tolle, of een TED Talk over nuttige tijdbesteding. De inspiratie komt van Woody Allen, en zijn prachtige laatste film, Midnight in Paris. Waarin het verlangen naar andere tijden op magische wijze werkelijkheid wordt, maar waarin het heden uiteindelijk lijkt te winnen. Parijs in het Fin de Siecle, of in de twintiger jaren, toen alles nog goed was, tegenover het Parijs van nu. Niet minder goed, wel misschien minder romantisch. Omdat uiteindelijk altijd weer mensen naar vervlogen tijden verlangen. Twee dagen voor het zien van de film liep ik in het Van Gogh Museum, en keek ik naar schilderijen uit diezelfde periode. Zag ik hoe Van Gogh in Nederland nog donkere, grauwe appels schilderde, om twee jaar later, beinvloed door precies datzelfde Parijs, opeens uit te barsten in kleur en gevoel.
Het is tijd om weer aan de slag te gaan. Om te kiezen voor de dingen die belangrijk zijn. Tijd om te schrijven. Om te delen.

maandag 3 oktober 2011
Protest
Ik fiets door Berlijn. Het is warm, de zon schijnt fel, en ik ben al uren op zoek naar de perfecte plek om koffie te drinken en te lezen. Ik fiets langs enorme gebouwen die herinneringen met zich meedragen die ik niet zelf heb beleefd. De Reichstag, de Brandenburgertor. Heel Oost Berlijn. Ik stop bij Topographie des Terrors, een laaggelegen gang, waar ooit de hoofdkwartieren van o.a. de SS en de geheime Staatspolitie stonden en waar nu de restanten van de muur nog als stille getuigen ons laten herinneren. Een paar straten verderop dwaal ik door het doolhof van pilaren van het Holocaust Monument, waar soms stilte lijkt te heersen, tussen de zware betonnen blokken. De dagboeken en brieven die beneden te lezen zijn roepen bekende beelden op die nog steeds intrigerend, misselijkmakend, verontrustend zijn.
Wanneer ik later op een terras in de zon zit, verdwijn ik in de wrange wereld van José Saramago, die in zijn boek De Stad der Blinden beschrijft hoe na een onverklaarbare blindheidsepedimie in eerste instantie de regering, en vervolgens de massa reageert. De nare, vernederende en heftige wereld die hij beschrijft doen de zon vergeten. De angst die regeert en die onmenselijk gedrag zonder problemen accepteert, de macht die zo snel mogelijk wordt misbruikt door een ieder die haar in handen heeft, de onverschilligheid en het keiharde geweld dat mensen zonder problemen toepassen wanneer het er blijkbaar echt op aan komt, het is allemaal weinig hoopgevend. De weinige pogingen tot mededogen kunnen niet op tegen de narigheid die door de massa niet alleen wordt geaccepteerd, maar ook toegepast. Het is ieder voor zich.
Als ik even later online ga zie ik de beelden van New York. Massa's mensen die hun stem laten horen, opkomen tegen systemen die groter zijn dan zij. Terwijl de media nog zwijgt zie ik hoe politieagenten met stokken inslaan op omstanders, hoe mensen over de grond gesleurd worden, hoe de massa met één stem spreekt. Ik ga op zoek naar berichtgeving, maar stuit steeds weer op persoonlijke video's en verhalen, die via moderne media hun weg naar de rest van de wereld zoeken.
Achteraf is het altijd makkelijk praten, over bijvoorbeeld wie de slechterik is en wie de held. Zo krijgen we het ook immers voorgeschoteld in films. Ik vraag me af hoe tijdens de tweede wereldoorlog het verzet werd gezien door de massa. Als helden? Of als gekken, die niet wisten waar ze mee bezig waren? Ik denk aan de vrouw die tegen het machtsmisbruik opkomt in De stad der blinden: de enige die nog kan zien wanneer de rest al blind is. Waar de protesten in het Midden Oosten werden gezien als een nieuwe, frisse en hoopgevende beweging, wordt vooralsnog hier nergens over gesproken. Eerst moeten duizenden mensen worden gearresteerd, geslagen en vernederd worden voordat het verhaal wordt opgepikt. Pas als meer mensen de straat op gaan, als wereldwijd mensen hun stem verheffen, berichten de media. Ik zou willen dat ik alvast kon terugkijken op deze tijd.
Wanneer ik later op een terras in de zon zit, verdwijn ik in de wrange wereld van José Saramago, die in zijn boek De Stad der Blinden beschrijft hoe na een onverklaarbare blindheidsepedimie in eerste instantie de regering, en vervolgens de massa reageert. De nare, vernederende en heftige wereld die hij beschrijft doen de zon vergeten. De angst die regeert en die onmenselijk gedrag zonder problemen accepteert, de macht die zo snel mogelijk wordt misbruikt door een ieder die haar in handen heeft, de onverschilligheid en het keiharde geweld dat mensen zonder problemen toepassen wanneer het er blijkbaar echt op aan komt, het is allemaal weinig hoopgevend. De weinige pogingen tot mededogen kunnen niet op tegen de narigheid die door de massa niet alleen wordt geaccepteerd, maar ook toegepast. Het is ieder voor zich.
Als ik even later online ga zie ik de beelden van New York. Massa's mensen die hun stem laten horen, opkomen tegen systemen die groter zijn dan zij. Terwijl de media nog zwijgt zie ik hoe politieagenten met stokken inslaan op omstanders, hoe mensen over de grond gesleurd worden, hoe de massa met één stem spreekt. Ik ga op zoek naar berichtgeving, maar stuit steeds weer op persoonlijke video's en verhalen, die via moderne media hun weg naar de rest van de wereld zoeken.
Achteraf is het altijd makkelijk praten, over bijvoorbeeld wie de slechterik is en wie de held. Zo krijgen we het ook immers voorgeschoteld in films. Ik vraag me af hoe tijdens de tweede wereldoorlog het verzet werd gezien door de massa. Als helden? Of als gekken, die niet wisten waar ze mee bezig waren? Ik denk aan de vrouw die tegen het machtsmisbruik opkomt in De stad der blinden: de enige die nog kan zien wanneer de rest al blind is. Waar de protesten in het Midden Oosten werden gezien als een nieuwe, frisse en hoopgevende beweging, wordt vooralsnog hier nergens over gesproken. Eerst moeten duizenden mensen worden gearresteerd, geslagen en vernederd worden voordat het verhaal wordt opgepikt. Pas als meer mensen de straat op gaan, als wereldwijd mensen hun stem verheffen, berichten de media. Ik zou willen dat ik alvast kon terugkijken op deze tijd.
maandag 5 september 2011
Kwartier
Het concept is simpel, het idee inspirerend, maar dan komt de uitvoering.
Zet een aantal mensen, die elkaar al dan niet kennen, een weekend bij elkaar en geef ieder van hen een kwartier om iets te vertellen.
Ooit had ik een gesprek met een vriendin over hoe weinig we eigenlijk wisten van het werk van elkaar en onze vrienden. Na onze studietijd, waarin we veelvuldig spraken over colleges en onderzoeken, raakten we steeds verder verwijderd van de inhoudelijke gesprekken over dagelijkse bezigheden. Vroeger zaten we vaker in de kroeg en hadden we minder overige bezigheden overdag, waardoor het logischerwijs na tien bier uiteindelijk ook over scriptieonderwerpen ging. Daarna verdwenen we allemaal in verschillende richtingen en verstopten we onze achter deuren en muren, om achter computers werk te doen dat we weliswaar leuk vonden, maar waarover we niet uitgebreid praatten. De meeste van mijn vrienden weten dat ik 'iets' doe bij CREA, en dat ik onder andere zomercursussen organiseer waarvoor ik dan lange uren maak. Wat die organisatie precies inhoudt, en wat ik in die lange uren doe, dat weten er maar weinig. Net zoals ik van hen weinig weet. Wat doet M. als assistent van een hoogleraar? En waarom reist J. in opdracht van een mediainstituut Europa door? Ik weet dat V. veel online moet doen, maar wat precies? En S. doet onderzoek én begeleidt mensen, maar waarin? Het idee was geboren om eens samen te komen om daarover te praten. Maar hoewel de interesse er nog steeds is, was er blijkbaar geen energie om het daadwerkelijk te organiseren. En welke mensen zou je dan uitnodigen? Wil ik weten wat de broer van L. doet op zijn middelbare school?
Uiteindelijk evolueerde het idee in het hoofd van een andere vriendin tot Fifteen Minutes of Fame. Een weekend waarin je een kwartier krijgt om te praten over wat je leuk vind. Dat kan je werk zijn, maar ook het boek dat je onlangs gelezen hebt, of je favoriete spelletje op de computer. De enige restrictie is dat het in vijftien minuten moet.
Afgelopen weekend vond de derde editie plaats, met twaalf mensen, waarvan er niet één iedereen kende. Met vreemden, kennissen en bekenden dronken, dansten en aten we. We zwommen in de zee, we liepen door de duinen. Maar vooral luisterden we, en we anticipeerden. We dachten mee met projecten die meer vorm moesten krijgen, we leerden associatief denken. We beoordeelden blind verschillende producten op smaak in plaats van merk, we improviseerden, we discussieerden.
Wat bijzonder is aan deze weekenden is dat iedereen praat over zijn of haar passie, of over iets dat hen bezig houdt. De presentaties zijn ongelofelijk verschillend, maar ze zijn de opmaat tot verdere gesprekken in de overige tijd. Ook al kenden we elkaar niet allemaal in het begin, we gingen weg als vrienden. Omdat, wanneer iemand iets persoonlijks deelt en zich kwetsbaar heeft opgesteld, je daarna geen vreemden meer kunt zijn.
Ik hou ongelofelijk veel van groepen bij elkaar brengen en van delen met anderen. En ik ben vriendin A. dan ook meer dan dankbaar dat zij uiteindelijk de daad bij het woord heeft gevoegd en deze weekenden is gaan organiseren. Nu zijn we weer los van elkaar, en kunnen we dankzij de sociale media op de hoogte blijven. En wat blijkt? Nu schrijven we erover en gaat het delen door.
Zet een aantal mensen, die elkaar al dan niet kennen, een weekend bij elkaar en geef ieder van hen een kwartier om iets te vertellen.
Ooit had ik een gesprek met een vriendin over hoe weinig we eigenlijk wisten van het werk van elkaar en onze vrienden. Na onze studietijd, waarin we veelvuldig spraken over colleges en onderzoeken, raakten we steeds verder verwijderd van de inhoudelijke gesprekken over dagelijkse bezigheden. Vroeger zaten we vaker in de kroeg en hadden we minder overige bezigheden overdag, waardoor het logischerwijs na tien bier uiteindelijk ook over scriptieonderwerpen ging. Daarna verdwenen we allemaal in verschillende richtingen en verstopten we onze achter deuren en muren, om achter computers werk te doen dat we weliswaar leuk vonden, maar waarover we niet uitgebreid praatten. De meeste van mijn vrienden weten dat ik 'iets' doe bij CREA, en dat ik onder andere zomercursussen organiseer waarvoor ik dan lange uren maak. Wat die organisatie precies inhoudt, en wat ik in die lange uren doe, dat weten er maar weinig. Net zoals ik van hen weinig weet. Wat doet M. als assistent van een hoogleraar? En waarom reist J. in opdracht van een mediainstituut Europa door? Ik weet dat V. veel online moet doen, maar wat precies? En S. doet onderzoek én begeleidt mensen, maar waarin? Het idee was geboren om eens samen te komen om daarover te praten. Maar hoewel de interesse er nog steeds is, was er blijkbaar geen energie om het daadwerkelijk te organiseren. En welke mensen zou je dan uitnodigen? Wil ik weten wat de broer van L. doet op zijn middelbare school?
Uiteindelijk evolueerde het idee in het hoofd van een andere vriendin tot Fifteen Minutes of Fame. Een weekend waarin je een kwartier krijgt om te praten over wat je leuk vind. Dat kan je werk zijn, maar ook het boek dat je onlangs gelezen hebt, of je favoriete spelletje op de computer. De enige restrictie is dat het in vijftien minuten moet.
Afgelopen weekend vond de derde editie plaats, met twaalf mensen, waarvan er niet één iedereen kende. Met vreemden, kennissen en bekenden dronken, dansten en aten we. We zwommen in de zee, we liepen door de duinen. Maar vooral luisterden we, en we anticipeerden. We dachten mee met projecten die meer vorm moesten krijgen, we leerden associatief denken. We beoordeelden blind verschillende producten op smaak in plaats van merk, we improviseerden, we discussieerden.
Wat bijzonder is aan deze weekenden is dat iedereen praat over zijn of haar passie, of over iets dat hen bezig houdt. De presentaties zijn ongelofelijk verschillend, maar ze zijn de opmaat tot verdere gesprekken in de overige tijd. Ook al kenden we elkaar niet allemaal in het begin, we gingen weg als vrienden. Omdat, wanneer iemand iets persoonlijks deelt en zich kwetsbaar heeft opgesteld, je daarna geen vreemden meer kunt zijn.
Ik hou ongelofelijk veel van groepen bij elkaar brengen en van delen met anderen. En ik ben vriendin A. dan ook meer dan dankbaar dat zij uiteindelijk de daad bij het woord heeft gevoegd en deze weekenden is gaan organiseren. Nu zijn we weer los van elkaar, en kunnen we dankzij de sociale media op de hoogte blijven. En wat blijkt? Nu schrijven we erover en gaat het delen door.
maandag 22 augustus 2011
Sociale Netwerk Vrienden
Mijn vriendenkring is op vele manieren op te delen; op basis van de lengte van de vriendschap, de frequentie waarin we elkaar zien, de mate van overeenkomstige levensinstelling. De indeling die zich echter steeds sterker lijkt af te tekenen is die van de sociale media. Betrekkelijk weinig mensen in mijn omgeving zitten nog niet op een van de sociale netwerk sites. De weinige vrienden zich hiervan distantiëren, brengen dat vaak als statement. 'Ik doe niet mee aan die onzin', of: 'Ik ben te druk voor dat soort dingen'. Ik vind het allemaal best en heb er weinig problemen mee. Toch vallen me steeds weer twee dingen op.
Ten eerste zijn de mensen die zich zogenaamd afzetten tegen 'dat soort dingen' vaak mensen die niet voor hun werk achter de computer zitten. Het zijn vaak docenten op middelbare scholen, kunstenaars die door het land reizen of artsen die dagelijks met hun neus in de patiënten statussen zitten. Mensen die minimaal acht uur per dag achter hun computer werk doen dat vooral gegenereerd wordt door te ontvangen en te verwerken emails, worden graag afgeleid door status updates van vrienden. Hoe ethisch het is om in de baas zijn tijd je eigen mail te checken is natuurlijk weer een andere kwestie. Feit is dat het betrekkelijk makkelijk is om Facebook, Twitter of Hyves in een ander tabje open te hebben staan.
Ten tweede, en dat vind ik eigenlijk veel belangrijker, brengt (in mijn geval) Facebook me oprecht veel plezier. Sterker nog: ik vind dat mijn leven er rijker van is geworden. Natuurlijk ben ik niet geïnteresseerd in iedere gevoelsveranderingen van alle al dan niet echte vrienden die ik online heb. (Het is overigens een sociaal experiment op zich om te onderzoeken welke maatstaven mensen hanteren om wel of niet met anderen bevriend te raken.) Ik vermoed ook niet dat al die mensen hunkerend zit te wachten op al mijn dagelijkse beslommeringen die ik besluit te willen delen.
Maar ik vind het wel fijn om op een uiterst makkelijke manier op de hoogte te blijven van het wel en wee van mensen die ik echt niet allemaal op een regelmatige basis kan zien. Door hun statussen te lezen en hun vakantiefoto's te bekijken kan ik hun levens een beetje bijhouden en zijn de halfjaarlijkse bijpraat gesprekken een stuk geanimeerder. Natuurlijk vervangt dit niet de gesprekken in de kroeg, maar het voegt gewoon iets toe.
Daarnaast heb ik de afgelopen jaren me kunnen wentelen in de cadeautjes die mijn Facebookvrienden me geven: grappige, ontroerende en prachtige filmpjes, links, websites en gedachten, die ze posten en waarvan ik kan besluiten om ze aan te klikken of niet. Ik heb nieuwe bands ontdekt, inspirerende sites gevonden en al heel vaak heel hard moeten lachen om gekke of bizarre opmerkingen, discussies of links.
Met andere woorden: ik vind Facebook een cadeautje. En daar maak ik graag soms wat tijd voor vrij.
Ten eerste zijn de mensen die zich zogenaamd afzetten tegen 'dat soort dingen' vaak mensen die niet voor hun werk achter de computer zitten. Het zijn vaak docenten op middelbare scholen, kunstenaars die door het land reizen of artsen die dagelijks met hun neus in de patiënten statussen zitten. Mensen die minimaal acht uur per dag achter hun computer werk doen dat vooral gegenereerd wordt door te ontvangen en te verwerken emails, worden graag afgeleid door status updates van vrienden. Hoe ethisch het is om in de baas zijn tijd je eigen mail te checken is natuurlijk weer een andere kwestie. Feit is dat het betrekkelijk makkelijk is om Facebook, Twitter of Hyves in een ander tabje open te hebben staan.
Ten tweede, en dat vind ik eigenlijk veel belangrijker, brengt (in mijn geval) Facebook me oprecht veel plezier. Sterker nog: ik vind dat mijn leven er rijker van is geworden. Natuurlijk ben ik niet geïnteresseerd in iedere gevoelsveranderingen van alle al dan niet echte vrienden die ik online heb. (Het is overigens een sociaal experiment op zich om te onderzoeken welke maatstaven mensen hanteren om wel of niet met anderen bevriend te raken.) Ik vermoed ook niet dat al die mensen hunkerend zit te wachten op al mijn dagelijkse beslommeringen die ik besluit te willen delen.
Maar ik vind het wel fijn om op een uiterst makkelijke manier op de hoogte te blijven van het wel en wee van mensen die ik echt niet allemaal op een regelmatige basis kan zien. Door hun statussen te lezen en hun vakantiefoto's te bekijken kan ik hun levens een beetje bijhouden en zijn de halfjaarlijkse bijpraat gesprekken een stuk geanimeerder. Natuurlijk vervangt dit niet de gesprekken in de kroeg, maar het voegt gewoon iets toe.
Daarnaast heb ik de afgelopen jaren me kunnen wentelen in de cadeautjes die mijn Facebookvrienden me geven: grappige, ontroerende en prachtige filmpjes, links, websites en gedachten, die ze posten en waarvan ik kan besluiten om ze aan te klikken of niet. Ik heb nieuwe bands ontdekt, inspirerende sites gevonden en al heel vaak heel hard moeten lachen om gekke of bizarre opmerkingen, discussies of links.
Met andere woorden: ik vind Facebook een cadeautje. En daar maak ik graag soms wat tijd voor vrij.
maandag 20 juni 2011
Legitimiteit
Ik ben van mening dat in onze maatschappij het vooral draait over welke opleiding je gedaan hebt en wat voor werk je nu doet.
Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet is de eerste vraag meestal: wat doe jij? Het is dan de bedoeling dat je die vraag beantwoordt met je professie, niet met waar je op dat moment mee bezig bent (nou, ik schud net jouw hand, we staan te praten, ik ben op een feestje, ik zit in de kroeg.) Met het uitspreken van je beroep vertel je wie je bent. 'Ik ben dokter' betekent: ik ben welgesteld, heb een leuk huis en een abonnement op art en auto, ik heb uithoudingsvermogen en kan heel goed vreemde Latijnse woorden onthouden, op mijn middelbare school koos ik voor schei- en natuurkunde en als het nodig is kan ik iemand in nood redden. 'Ik ben verkoopmedewerkster bij de Albert Heijn' kan meerdere dingen beteken, als je op doordeweekse dagen overdag werkt ben je waarschijnlijk een vrouw van middelbare leeftijd die haar oudere echtgenoot opeens thuis had zitten toen hij met pensioen ging en daarom zelf maar de deur uit vluchtte, of je bent een tienermeisje dat op zaterdag als bijbaantje haar vriendje wat biertjes minder afrekent zodat je je straks goed kunt inzuipen voor het uitgaan.
Ik weet dat ik niet bescheiden om ga met vooroordelen.
Maar het zijn dezelfde vooroordelen die mij tergen wanneer ik probeer te definiëren wat ik doe, en dus wie ik ben. Op mijn aarzelende antwoord dat ik "later als ik groot ben" films wil maken, is namelijk de standaard vervolgvraag: "oh, leuk, heb je de film academie gedaan?'. Nee, lieve mensen, ik heb niet de film academie gedaan. Ik heb namelijk al veel te lang gestudeerd en sindsdien te lang gewerkt om daadwerkelijk terug te willen naar vier jaar in de schoolbanken met negentienjarigen. Dit antwoord helpt het gesprek niet. Het helpt ook niet om de diepte in te gaan en uit te leggen dat het nou precies deze legitimatie van mijn poging tot creativiteit is, die mij al jaren bezig houdt, en me ervan weerhoudt daadwerkelijk ervoor te kiezen en te zijn wie ik zou willen zijn.
Van een goede vriend uit New York - de stad waar iedereen kan zijn wie hij wil zijn, en waar mensen op mijn eerste antwoord (later, groot, films maken) als eerste reageren met "oh, wat leuk, wát voor films?", waarna een inhoudelijk gesprek over mijn favoriete onderwerp kon volgen - leerde ik dat ik de Nederlandse variant kort moet beantwoorden. 'Nee, ik heb het anders aangepakt. Ik ben gewoon begonnen met films maken."
Ik werd dan ook enorm geïnspireerd door het onderstaande filmpje, waarin Shea Hembrey vertelt over de honderd kunstenaars die hij bedacht. Na het idee opgevat te hebben om een internationale kunst expositie te organiseren, realiseerde hij zich dat het best ingewikkeld was om al die artiesten te benaderen, waarna hij zelf de kunstenaars bedacht en hun kunst maakte.
Als je maar overtuigend genoeg bent en er zelf in gelooft, ik denk dat het daar uiteindelijk op neer komt. Dus vanaf nu, als iemand mij vraagt wat ik doe: ik maak films, ik schrijf en ik maak collages. En jij?
Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet is de eerste vraag meestal: wat doe jij? Het is dan de bedoeling dat je die vraag beantwoordt met je professie, niet met waar je op dat moment mee bezig bent (nou, ik schud net jouw hand, we staan te praten, ik ben op een feestje, ik zit in de kroeg.) Met het uitspreken van je beroep vertel je wie je bent. 'Ik ben dokter' betekent: ik ben welgesteld, heb een leuk huis en een abonnement op art en auto, ik heb uithoudingsvermogen en kan heel goed vreemde Latijnse woorden onthouden, op mijn middelbare school koos ik voor schei- en natuurkunde en als het nodig is kan ik iemand in nood redden. 'Ik ben verkoopmedewerkster bij de Albert Heijn' kan meerdere dingen beteken, als je op doordeweekse dagen overdag werkt ben je waarschijnlijk een vrouw van middelbare leeftijd die haar oudere echtgenoot opeens thuis had zitten toen hij met pensioen ging en daarom zelf maar de deur uit vluchtte, of je bent een tienermeisje dat op zaterdag als bijbaantje haar vriendje wat biertjes minder afrekent zodat je je straks goed kunt inzuipen voor het uitgaan.
Ik weet dat ik niet bescheiden om ga met vooroordelen.
Maar het zijn dezelfde vooroordelen die mij tergen wanneer ik probeer te definiëren wat ik doe, en dus wie ik ben. Op mijn aarzelende antwoord dat ik "later als ik groot ben" films wil maken, is namelijk de standaard vervolgvraag: "oh, leuk, heb je de film academie gedaan?'. Nee, lieve mensen, ik heb niet de film academie gedaan. Ik heb namelijk al veel te lang gestudeerd en sindsdien te lang gewerkt om daadwerkelijk terug te willen naar vier jaar in de schoolbanken met negentienjarigen. Dit antwoord helpt het gesprek niet. Het helpt ook niet om de diepte in te gaan en uit te leggen dat het nou precies deze legitimatie van mijn poging tot creativiteit is, die mij al jaren bezig houdt, en me ervan weerhoudt daadwerkelijk ervoor te kiezen en te zijn wie ik zou willen zijn.
Van een goede vriend uit New York - de stad waar iedereen kan zijn wie hij wil zijn, en waar mensen op mijn eerste antwoord (later, groot, films maken) als eerste reageren met "oh, wat leuk, wát voor films?", waarna een inhoudelijk gesprek over mijn favoriete onderwerp kon volgen - leerde ik dat ik de Nederlandse variant kort moet beantwoorden. 'Nee, ik heb het anders aangepakt. Ik ben gewoon begonnen met films maken."
Ik werd dan ook enorm geïnspireerd door het onderstaande filmpje, waarin Shea Hembrey vertelt over de honderd kunstenaars die hij bedacht. Na het idee opgevat te hebben om een internationale kunst expositie te organiseren, realiseerde hij zich dat het best ingewikkeld was om al die artiesten te benaderen, waarna hij zelf de kunstenaars bedacht en hun kunst maakte.
Als je maar overtuigend genoeg bent en er zelf in gelooft, ik denk dat het daar uiteindelijk op neer komt. Dus vanaf nu, als iemand mij vraagt wat ik doe: ik maak films, ik schrijf en ik maak collages. En jij?
dinsdag 7 juni 2011
Routine
De wekker gaat om acht uur, snoozen kan met gemak nog een half uur. Te warm, te fijn.
Te laat. Douche, thee, met natte haren de trap af.
Twee blokken tot aan Lafayette, dan linksaf naar Bedford. Dag mannen op straat. Dag mannen bij de bodega. Dag mannen bij de bushalte.
Trap af, rechts naar beneden. Doorlopen tot het eind, want hier stopt de metro niet halverwege. Wachten.
Instappen. Blijven staan bij de andere deur.
Myrtle-Willoughby. Flushing. Broadway. Metropolitan.
Mensen kijken.
Tegen de menigte in de trap op. Half rennend met de meute mee.
Trap af en trap op. In de tussentijd goed luisteren.
Op het perron doorlopen tot de tweede rij reclameposters.
Instappen. Spieden naar een zitplaats.
Bedford. 1st Ave. 3rd Ave. Union Square. 6th Ave.
Uitstappen en direct de linkertrap omhoog. Hopen dat de F er zo aan komt.
Doorlopen tot na de bankjes. Hopelijk weer een kans om een metromuzikant te filmen.
Instappen. Blijven staan.
23rd.
Uitstappen en links de trap omhoog.
Lucht. Regen of zon? Rechtsaf, 6th Ave op.
Schuin oversteken als het verkeer het toelaat.
A large earl grey tea with milk please.
$2.45
24th street inlopen.
Schuin oversteken naar het groene luifeltje. Paws in Chelsea.
De blaffende hondjes onder me laten en naar de 2e etage.
Laat de dag maar beginnen.
Te laat. Douche, thee, met natte haren de trap af.
Twee blokken tot aan Lafayette, dan linksaf naar Bedford. Dag mannen op straat. Dag mannen bij de bodega. Dag mannen bij de bushalte.
Trap af, rechts naar beneden. Doorlopen tot het eind, want hier stopt de metro niet halverwege. Wachten.
Instappen. Blijven staan bij de andere deur.
Myrtle-Willoughby. Flushing. Broadway. Metropolitan.
Mensen kijken.
Tegen de menigte in de trap op. Half rennend met de meute mee.
Trap af en trap op. In de tussentijd goed luisteren.
Op het perron doorlopen tot de tweede rij reclameposters.
Instappen. Spieden naar een zitplaats.
Bedford. 1st Ave. 3rd Ave. Union Square. 6th Ave.
Uitstappen en direct de linkertrap omhoog. Hopen dat de F er zo aan komt.
Doorlopen tot na de bankjes. Hopelijk weer een kans om een metromuzikant te filmen.
Instappen. Blijven staan.
23rd.
Uitstappen en links de trap omhoog.
Lucht. Regen of zon? Rechtsaf, 6th Ave op.
Schuin oversteken als het verkeer het toelaat.
A large earl grey tea with milk please.
$2.45
24th street inlopen.
Schuin oversteken naar het groene luifeltje. Paws in Chelsea.
De blaffende hondjes onder me laten en naar de 2e etage.
Laat de dag maar beginnen.
donderdag 28 april 2011
Choreografie
Mensen staan her en der verspreid. Sommigen zitten op houten bankjes. Iedereen lijkt in gedachten verzonken, kijkt voor zich uit, of speelt een spelletje op zijn telefoon. Sommige mensen hebben oordopjes in, waar vlagen van luide muziek uit komt. De verschillende liedjes vormen samen een ruis, waarbij soms bepaalde liedjes harder te horen zijn.
Dan een hard geluid. Twee lichtjes die dichterbij komen. Het geluid van openschuivende deuren. Er komt beweging in de massa. Vanuit hun verschillende uitgangspunten bewegen ze allemaal naar dezelfde plek toe. Ze verenigen zich met nieuwe mensen, voorbijgaande personages in ieders leven.
Terwijl de snelheid de choreografie overneemt vindt de massa één ritme. Samen bewegen ze naar links, naar rechts. Het zijn kleine bewegingen, maar perfect gecoördineerd, allemaal op hetzelfde moment. Iedereen houdt zich vast, sommigen zitten, anderen leunen tegen deuren of palen. Maar ze hebben allemaal hetzelfde ritme. Het lijkt ongecontroleerd, plotseling.
Ze blijven allemaal onverstoord voor zich uit kijken, of naar beneden, waar ze boekjes of telefoons in hun handen hebben. Ze proberen elkaar niet aan te raken, wijken uit wanneer iemand te dichtbij komt. Om elkaar dan weer, soms bedoeld, soms onbedoeld, op te zoeken. Een voet raakt een been, een hand raakt een rug. Kleine tekenen van saamhorigheid, van deel uit maken van de groep. Bevestigingen van elkaars bestaan. Heel soms kruisen blikken elkaar. Dan wordt geknikt, soms gelachen.
Wanneer de deuren weer open gaan herhaalt het ritueel zich. Oude voorbijgangers verlaten de groep, nieuwe komen erbij en pikken moeiteloos het ritme van de snelheid op.
Dan een hard geluid. Twee lichtjes die dichterbij komen. Het geluid van openschuivende deuren. Er komt beweging in de massa. Vanuit hun verschillende uitgangspunten bewegen ze allemaal naar dezelfde plek toe. Ze verenigen zich met nieuwe mensen, voorbijgaande personages in ieders leven.
Terwijl de snelheid de choreografie overneemt vindt de massa één ritme. Samen bewegen ze naar links, naar rechts. Het zijn kleine bewegingen, maar perfect gecoördineerd, allemaal op hetzelfde moment. Iedereen houdt zich vast, sommigen zitten, anderen leunen tegen deuren of palen. Maar ze hebben allemaal hetzelfde ritme. Het lijkt ongecontroleerd, plotseling.
Ze blijven allemaal onverstoord voor zich uit kijken, of naar beneden, waar ze boekjes of telefoons in hun handen hebben. Ze proberen elkaar niet aan te raken, wijken uit wanneer iemand te dichtbij komt. Om elkaar dan weer, soms bedoeld, soms onbedoeld, op te zoeken. Een voet raakt een been, een hand raakt een rug. Kleine tekenen van saamhorigheid, van deel uit maken van de groep. Bevestigingen van elkaars bestaan. Heel soms kruisen blikken elkaar. Dan wordt geknikt, soms gelachen.
Wanneer de deuren weer open gaan herhaalt het ritueel zich. Oude voorbijgangers verlaten de groep, nieuwe komen erbij en pikken moeiteloos het ritme van de snelheid op.
zondag 17 april 2011
Fietspad oorlog
Het kopen van een fiets, een paar weken geleden, ging gepaard met allerlei goede raad - over de gevaren van fietsen zonder helm, en de noodzaak van goede sloten - die tot honende blikken van mij kant leidde. Een Amsterdamse laat zich natuurlijk niets vertellen over sloten (alhoewel ik thuis uit luiheid al jarenlang met één slot door het leven ga, en dat nog steeds goed gaat) en ik zal nog niet dood met een helm op mijn hoofd gevonden willen worden.
Steeds weer werd er berispend gesproken dat New York toch echt niet te vergelijken is met Amsterdam, dat schattige dorp met grachten. Nee, hier, in de stad van de criminaliteit en de gekken, is fietsen een levensgevaarlijke onderneming die serieus moet worden genomen en waar niet te licht gedacht mag worden over veiligheid en diefstal.
Vooralsnog fiets ik dolgelukkig helmloos door de stad. De gekte die me voorspeld werd valt mee, alhoewel ik wel iets oplettender van Ave naar Ave peddel dan dat ik in Amsterdam over de grachten fiets. Maar om nou te zeggen dat het een wildernis is. Nee. In tegendeel: het is heerlijk om met de wind in je haar over de Brooklyn Bridge naar Manhattan te fietsen (maar pas op voor toeristen!), of in Williamsburg koffie te gaan drinken en niet in de donkere metro te hoeven stappen om er te komen.
Ik kwam er echter achter dat hier een verborgen geschiedenis ligt, waar ik mij niet bewust van was.
Om in het zogenaamde hipster gedeelte van Williamsburg te komen, waar de fijne cafeetjes en restaurantjes zijn, moet ik vanuit Bed-Stuy waar ik woon door een wijk waar Chassidische Joden wonen: mannen met hoge zwarte hoeden en pijpenkrullen, vrouwen met pruiken of hoofddoekjes, lange rokken, zwarte nauwsluitende jassen, kinderen met soortgelijke pijpenkrullen en achttiende eeuwse kledij, het wemelt ervan. Tijdens een wandeling enkele weken geleden voelde ik me al, zwak gezegd, niet geheel op mijn plaats. Ik liep natuurlijk in mijn korte rok het straatbeeld te vervuilen, dus met een beetje moeite kon ik me voorstellen dat ik daarom niet alleen volledig genegeerd werd, maar ook dat mensen uit voorzorg de straat overstaken om mij niet tegen te hoeven komen. Al fietsend kwam ik er achter dat dit gedrag echter ook mijn veiligheid op het spel zet, want in hun drang mij niet te willen zien steken mensen snel vlak voor me over, of rijden ze stoïcijns door zonder mij de voorrang te geven wanneer ik die wel heb. Ze hebben letterlijk een blinde vlek voor mensen die niet bij hun gemeenschap horen.
Dit gegeven maakt bij mij nogal veel gefrustreerde gevoelens los over religie, verdraagzaamheid, superioriteit en meer van dien. Toen ik die uitte tegen een vriendin, vertelde zij me over de fietspadoorlog die in 2009 plaats heeft gevonden.

New York creëert steeds meer fietspaden en -routes, waaronder ook de Bedford bike lane, die heel Brooklyn doorkruist en die mij veilig richting Williamsburg Bridge, cafe's en yoga brengt. Toen de Chassidische gemeenschap klaagde omdat het fietspad een gevaar voor 'veiligheid en religie' was (zogenaamd omdat kinderen niet veilig uit schoolbussen konden stappen omdat die niet op het fietspad mogen parkeren - maar eigenlijk omdat de kledingstijl van de hipsters de religieuze voorschriften van de Joden in het nauw brengt, zij mogen geen onbedekte huid zien), besloot het Department of Transportation de fietspaden te verwijderen. Hierbij hadden ze niet gerekend op de creatieve aard van de hipsters, die de fietspaden 's nachts weer aanbrachten en om hun protest kracht bij te zetten daarnaast opriepen tot een Freedom Ride waarbij zij topless door de wijk zouden fietsen. Een hevige sneeuwstorm voorkwam dat, maar weerhield de fietsers niet ervan om met voorgebonden plastic borsten blijk van hun ongenoegen te geven.
Het resultaat? Een mooiere, veilige, fietsbaan, enkele blokken verder, en een druk bezocht en duidelijk zichtbaar fietspad op Bedford. Je zou denken dat zeker in een stad als New York, de stad van de immigranten, verschillende mensen met elkaar kunnen leven. Als het hier al niet kan, hoe kunnen we dan hoop hebben voor al die andere plaatsen van onverdraagzaamheid?
Steeds weer werd er berispend gesproken dat New York toch echt niet te vergelijken is met Amsterdam, dat schattige dorp met grachten. Nee, hier, in de stad van de criminaliteit en de gekken, is fietsen een levensgevaarlijke onderneming die serieus moet worden genomen en waar niet te licht gedacht mag worden over veiligheid en diefstal.
Vooralsnog fiets ik dolgelukkig helmloos door de stad. De gekte die me voorspeld werd valt mee, alhoewel ik wel iets oplettender van Ave naar Ave peddel dan dat ik in Amsterdam over de grachten fiets. Maar om nou te zeggen dat het een wildernis is. Nee. In tegendeel: het is heerlijk om met de wind in je haar over de Brooklyn Bridge naar Manhattan te fietsen (maar pas op voor toeristen!), of in Williamsburg koffie te gaan drinken en niet in de donkere metro te hoeven stappen om er te komen.
Ik kwam er echter achter dat hier een verborgen geschiedenis ligt, waar ik mij niet bewust van was.
Om in het zogenaamde hipster gedeelte van Williamsburg te komen, waar de fijne cafeetjes en restaurantjes zijn, moet ik vanuit Bed-Stuy waar ik woon door een wijk waar Chassidische Joden wonen: mannen met hoge zwarte hoeden en pijpenkrullen, vrouwen met pruiken of hoofddoekjes, lange rokken, zwarte nauwsluitende jassen, kinderen met soortgelijke pijpenkrullen en achttiende eeuwse kledij, het wemelt ervan. Tijdens een wandeling enkele weken geleden voelde ik me al, zwak gezegd, niet geheel op mijn plaats. Ik liep natuurlijk in mijn korte rok het straatbeeld te vervuilen, dus met een beetje moeite kon ik me voorstellen dat ik daarom niet alleen volledig genegeerd werd, maar ook dat mensen uit voorzorg de straat overstaken om mij niet tegen te hoeven komen. Al fietsend kwam ik er achter dat dit gedrag echter ook mijn veiligheid op het spel zet, want in hun drang mij niet te willen zien steken mensen snel vlak voor me over, of rijden ze stoïcijns door zonder mij de voorrang te geven wanneer ik die wel heb. Ze hebben letterlijk een blinde vlek voor mensen die niet bij hun gemeenschap horen.
Dit gegeven maakt bij mij nogal veel gefrustreerde gevoelens los over religie, verdraagzaamheid, superioriteit en meer van dien. Toen ik die uitte tegen een vriendin, vertelde zij me over de fietspadoorlog die in 2009 plaats heeft gevonden.

New York creëert steeds meer fietspaden en -routes, waaronder ook de Bedford bike lane, die heel Brooklyn doorkruist en die mij veilig richting Williamsburg Bridge, cafe's en yoga brengt. Toen de Chassidische gemeenschap klaagde omdat het fietspad een gevaar voor 'veiligheid en religie' was (zogenaamd omdat kinderen niet veilig uit schoolbussen konden stappen omdat die niet op het fietspad mogen parkeren - maar eigenlijk omdat de kledingstijl van de hipsters de religieuze voorschriften van de Joden in het nauw brengt, zij mogen geen onbedekte huid zien), besloot het Department of Transportation de fietspaden te verwijderen. Hierbij hadden ze niet gerekend op de creatieve aard van de hipsters, die de fietspaden 's nachts weer aanbrachten en om hun protest kracht bij te zetten daarnaast opriepen tot een Freedom Ride waarbij zij topless door de wijk zouden fietsen. Een hevige sneeuwstorm voorkwam dat, maar weerhield de fietsers niet ervan om met voorgebonden plastic borsten blijk van hun ongenoegen te geven.
Het resultaat? Een mooiere, veilige, fietsbaan, enkele blokken verder, en een druk bezocht en duidelijk zichtbaar fietspad op Bedford. Je zou denken dat zeker in een stad als New York, de stad van de immigranten, verschillende mensen met elkaar kunnen leven. Als het hier al niet kan, hoe kunnen we dan hoop hebben voor al die andere plaatsen van onverdraagzaamheid?
dinsdag 12 april 2011
Sokken
Er is een werelden van sokken. Sokken met een levensverhaal en karakteromschrijving. Ze leven in een wereld waarin je de ene sok nou eenmaal niet kunt vergelijken met de andere. Omdat geen enkele sok hetzelfde is.
Deze sokwereld is vergelijkbaar met die van ons. Er is muziek, er is televisie, en natuurlijk zijn ze ook te vinden op Facebook en Myspace. En deze sokwereld heeft een God. Die Marty Allen heet. En die van gewone sokken personages maakt. Waar hij dan filmpjes mee opneemt, en muziek. En waar hij foto's van verkoopt, in fotolijstjes die hij in een oplage van twintig duizend uit China liet overkomen. Waarop hij op de achterkant de persoonlijkheid van de geportretteerde sok uitlegt. Portretten, die overigens ook al heel veel over de desbetreffende sok vertellen.
Wanneer je met Marty praat, als hij achter zijn stalletje staat, praat hij heel snel. Echt, razend snel. En hij zegt de woorden sock puppets meerdere keren in elke zin. Maar hoe je het ook wendt of keert, hij leeft van zijn sokken. Zijn sokken zijn zijn inkomen.
Ik weet niet of dat komt door de energie en charme van hun schepper, of door hun geweldige uitstraling, hoe dan ook: ook ik liep weg met een portret onder mijn arm. Of beter: zorgvuldig ingepakt in bubbeltjesplastic, (beter bekend als noppenfolie maar dat vind ik niet bij deze sokken passen), want Marty vond het maar niets, mijn idee om het portret gewoon in mijn tas te stoppen tussen de boeken. Liever pakte hij het goed in.
Mijn mede-sokken-portret-adoptie-genoot al snel zijn keuze liet vallen op Lillith Lollybottom, die hem zwoel en zelfs een tikkeltje verlopen aankeek, mijn keus viel op Plim of Zimmy Zambini. Waar Plim er nogal cool uitzag, met haar dat door een windvlaag nonchalant één kant op leek te zijn gewaaid, een soort van rockster zeg maar, zag Zimmy eruit alsof ze net een spook had gezien, of alsof ze zichzelf net in een spiegel had bekeken. Haar haar door alle stress alle kanten op, haar mond nog open na haar schreeuw. Ze leek gered te moeten worden.
Marty stelde me echter gerust: Zimmy is de slimme zus van Plim en Plom, waar ze samen The Fabulous Flying Zambinis mee vormt; een wereld bekend acrobaten trio, waarvan de ouders verpletterd werden door een olifant toen de kinderen nog klein waren. Ze werden door de andere circusartiesten goed opgevangen en ze zorgen goed voor elkaar. Zimmy is de virtuoos van de de drie getalenteerde artiesten, maar heeft een tere geest.
Toen was de keuze snel gemaakt. Plim zou zichzelf wel redden. Ik zorg voor Zimmy.
Deze sokwereld is vergelijkbaar met die van ons. Er is muziek, er is televisie, en natuurlijk zijn ze ook te vinden op Facebook en Myspace. En deze sokwereld heeft een God. Die Marty Allen heet. En die van gewone sokken personages maakt. Waar hij dan filmpjes mee opneemt, en muziek. En waar hij foto's van verkoopt, in fotolijstjes die hij in een oplage van twintig duizend uit China liet overkomen. Waarop hij op de achterkant de persoonlijkheid van de geportretteerde sok uitlegt. Portretten, die overigens ook al heel veel over de desbetreffende sok vertellen.
Wanneer je met Marty praat, als hij achter zijn stalletje staat, praat hij heel snel. Echt, razend snel. En hij zegt de woorden sock puppets meerdere keren in elke zin. Maar hoe je het ook wendt of keert, hij leeft van zijn sokken. Zijn sokken zijn zijn inkomen.
Ik weet niet of dat komt door de energie en charme van hun schepper, of door hun geweldige uitstraling, hoe dan ook: ook ik liep weg met een portret onder mijn arm. Of beter: zorgvuldig ingepakt in bubbeltjesplastic, (beter bekend als noppenfolie maar dat vind ik niet bij deze sokken passen), want Marty vond het maar niets, mijn idee om het portret gewoon in mijn tas te stoppen tussen de boeken. Liever pakte hij het goed in.
Mijn mede-sokken-portret-adoptie-genoot al snel zijn keuze liet vallen op Lillith Lollybottom, die hem zwoel en zelfs een tikkeltje verlopen aankeek, mijn keus viel op Plim of Zimmy Zambini. Waar Plim er nogal cool uitzag, met haar dat door een windvlaag nonchalant één kant op leek te zijn gewaaid, een soort van rockster zeg maar, zag Zimmy eruit alsof ze net een spook had gezien, of alsof ze zichzelf net in een spiegel had bekeken. Haar haar door alle stress alle kanten op, haar mond nog open na haar schreeuw. Ze leek gered te moeten worden.
Marty stelde me echter gerust: Zimmy is de slimme zus van Plim en Plom, waar ze samen The Fabulous Flying Zambinis mee vormt; een wereld bekend acrobaten trio, waarvan de ouders verpletterd werden door een olifant toen de kinderen nog klein waren. Ze werden door de andere circusartiesten goed opgevangen en ze zorgen goed voor elkaar. Zimmy is de virtuoos van de de drie getalenteerde artiesten, maar heeft een tere geest.
Toen was de keuze snel gemaakt. Plim zou zichzelf wel redden. Ik zorg voor Zimmy.
maandag 21 maart 2011
Kaartje
Je bent wie je wil zijn.
Althans, in New York.
In een ideale wereld ben je overal wat je wil zijn, en wordt dat door anderen geaccepteerd. Maar ja, in een ideale wereld is er vrede op aard, is er geen global warming en groeien chocolaatjes aan struiken, zodat je er makkelijk bij kan.
Een ideale wereld bestaat niet. Maar New York komt er in principe in de buurt. Afhankelijk van het onderwerp.
Wat global warming betreft heb ik binnen drie weken mijn tien jaar spaarzaam-lichten-uit-doen-in-kamers-waar-ik-niet-ben en -papier-en-plastic-afval-scheiden en niet-te-lang-douchen en opladers-uit-het-stopcontact-halen-als-er-geen-apparaat-aan-vast-zit (en ga zo maar door) er alweer doorheen gejaagd. Alles komt in plastic bakjes, met plastic vorkjes, en plastic lepels, liefst allemaal in aparte plastic zakjes verpakt en samen in een groter plastic zakje gestopt. Sorry, aarde.
Ook zou ik niet zo snel chocolaatjes van struiken plukken hier, maar er is wel overal veel lekkers te vinden, met ecologische chocoladetaarten, versgebakken muffins, en home made cookies als persoonlijke favorieten.
Vrede op aard is zeker nu ver te zoeken en ook in NY gaat het er niet altijd vriendelijk aan toe. Neem de jongen die 's ochtends vroeg tijdens de ochtendspits in de metro de persoon die hem aanraakte tijdens het naar buiten lopen nog een extra duw gaf en met een bedreigende stem zei: "Don't touch me". Schat, neem dan geen metro op dit tijdstip van de dag. Ga lekker fietsen. Niet alleen heb ik bewonderend naar mensen gekeken die in onmenselijke bochten zich vast probeerden te houden aan stangen of aan het plafond, terwijl ze rustig hun boekje stonden te lezen. Zelf heb ik ook soms lichaamsdelen tussen tassen, benen en lichamen vandaan moeten trekken in de hoop dat ze er niet al te beschadigd uit zouden komen.
Waar New York dicht bij in de buurt komt, qua ideale wereld, is dat er in principe genoeg ruimte is om te zijn wat je wil zijn. Ik sprak een meisje dat zei: "I'm actually a singer, and that's why I came to New York, but I really need to start doing that." Bleek dat ze al vijf jaar hier woonde en als receptioniste bij een kapperszaak werkte. In deze stad is iedereen die je je koffie geeft, je bestelling opneemt of je boodschappen afrekent eigenlijk kunstenaar. En of ze daar nou intensief mee bezig zijn of dat ze dat soms doen, of dat ze er slechts aan denken, dat doet er uiteindelijk niet toe. Je bent wie je wil zijn.
Afhankelijk van de locatie ben je echter ook wat je doet. Op een bijeenkomst van de Netherlands-America-Foundation kwam ik niet weg met: ik doe niet zo veel. Mensen werkten bij banken, promoveerden bij gerenommeerde universiteiten of werkten in het bedrijfsleven. Gelukkig had ik net op tijd een bezigheid gevonden, en kon ik me zo profileren. Ik heb echter nog geen kaartje.
Je kunt hier zijn wie je wil, je kunt doen wat je wil en toch iets anders willen zijn en dat dan zijn, je kunt er niet over nadenken wat je bent, als je maar een kaartje hebt. Iedereen die zich iets noemt, heeft een kaartje dat daar het bewijs van is. Ik loop iedere dag met minstens twee nieuwe kaartjes naar huis, van mensen die mij al dan niet gevraagd het bewijs van hun bestaan in handen drukken.
Met andere woorden: ik moet snel even naar Kinko's..
Althans, in New York.
In een ideale wereld ben je overal wat je wil zijn, en wordt dat door anderen geaccepteerd. Maar ja, in een ideale wereld is er vrede op aard, is er geen global warming en groeien chocolaatjes aan struiken, zodat je er makkelijk bij kan.
Een ideale wereld bestaat niet. Maar New York komt er in principe in de buurt. Afhankelijk van het onderwerp.
Wat global warming betreft heb ik binnen drie weken mijn tien jaar spaarzaam-lichten-uit-doen-in-kamers-waar-ik-niet-ben en -papier-en-plastic-afval-scheiden en niet-te-lang-douchen en opladers-uit-het-stopcontact-halen-als-er-geen-apparaat-aan-vast-zit (en ga zo maar door) er alweer doorheen gejaagd. Alles komt in plastic bakjes, met plastic vorkjes, en plastic lepels, liefst allemaal in aparte plastic zakjes verpakt en samen in een groter plastic zakje gestopt. Sorry, aarde.
Ook zou ik niet zo snel chocolaatjes van struiken plukken hier, maar er is wel overal veel lekkers te vinden, met ecologische chocoladetaarten, versgebakken muffins, en home made cookies als persoonlijke favorieten.
Vrede op aard is zeker nu ver te zoeken en ook in NY gaat het er niet altijd vriendelijk aan toe. Neem de jongen die 's ochtends vroeg tijdens de ochtendspits in de metro de persoon die hem aanraakte tijdens het naar buiten lopen nog een extra duw gaf en met een bedreigende stem zei: "Don't touch me". Schat, neem dan geen metro op dit tijdstip van de dag. Ga lekker fietsen. Niet alleen heb ik bewonderend naar mensen gekeken die in onmenselijke bochten zich vast probeerden te houden aan stangen of aan het plafond, terwijl ze rustig hun boekje stonden te lezen. Zelf heb ik ook soms lichaamsdelen tussen tassen, benen en lichamen vandaan moeten trekken in de hoop dat ze er niet al te beschadigd uit zouden komen.
Waar New York dicht bij in de buurt komt, qua ideale wereld, is dat er in principe genoeg ruimte is om te zijn wat je wil zijn. Ik sprak een meisje dat zei: "I'm actually a singer, and that's why I came to New York, but I really need to start doing that." Bleek dat ze al vijf jaar hier woonde en als receptioniste bij een kapperszaak werkte. In deze stad is iedereen die je je koffie geeft, je bestelling opneemt of je boodschappen afrekent eigenlijk kunstenaar. En of ze daar nou intensief mee bezig zijn of dat ze dat soms doen, of dat ze er slechts aan denken, dat doet er uiteindelijk niet toe. Je bent wie je wil zijn.
Afhankelijk van de locatie ben je echter ook wat je doet. Op een bijeenkomst van de Netherlands-America-Foundation kwam ik niet weg met: ik doe niet zo veel. Mensen werkten bij banken, promoveerden bij gerenommeerde universiteiten of werkten in het bedrijfsleven. Gelukkig had ik net op tijd een bezigheid gevonden, en kon ik me zo profileren. Ik heb echter nog geen kaartje.
Je kunt hier zijn wie je wil, je kunt doen wat je wil en toch iets anders willen zijn en dat dan zijn, je kunt er niet over nadenken wat je bent, als je maar een kaartje hebt. Iedereen die zich iets noemt, heeft een kaartje dat daar het bewijs van is. Ik loop iedere dag met minstens twee nieuwe kaartjes naar huis, van mensen die mij al dan niet gevraagd het bewijs van hun bestaan in handen drukken.
Met andere woorden: ik moet snel even naar Kinko's..
dinsdag 15 maart 2011
Masker
We waren samen de metro ingestapt, maar ik had hem niet gezien. Het was elf uur 's avonds en ik was net na een lange dag in een donker theater te hebben gezeten de warme metro ingegaan. We zaten tegenover elkaar. Pas toen ik goed en wel zat, mijn tas op schoot, mijn armen eroverheen, en opkeek, zag ik hem zitten.
Hij droeg een spijkerbroek, licht afgetrapte hippe schoenen. Een strak jasje, een damestas-achtig leren tasje waar een grote portemonnee, een telefoon, sleutels en nog veel meer dingen in zouden kunnen passen. En een masker. Geen zwarte bivakmuts, maar een gouden carnavalsmasker.
Zijn hele gezicht werd erdoor bedekt, alleen voor zijn mond was een uitsparing. Het masker was rondom versierd met een soort gouden knoopjes, en werd verder bedekt door gekleurde pailletten. Aan zijn linkerkant (voor mij) kwam er ter hoogte van zijn wenkbrauw een soort hoorntje, natuurlijk ook van goud, dat omhoog krulde. Het andere hoorntje, dat ik op rechts verwachtte kwam onderuit de neus van het masker. Zijn ogen waren ook verborgen, achter kleine gaatjes die deden me denken aan C3PO uit Star Wars. Zijn handen waren knokig, oud. In de een hield hij ferm een aansteker vast, met de ander tikte hij met een haast agressieve energie op zijn telefoon, waarop hij een vreemd spelletje aan het spelen was, alsof zijn leven er vanaf hing.
Soms keer hij op, keek rond en richtte zijn blik dan weer op zijn telefoon. De mensen om ons heen konden hun blikken niet van hem afhouden. Maar deden dat, zoals je dat in een metro behoort te doen, met kleine tussenpozen, om daarna weer snel ongeïnteresseerd in het niets te staren.
Ik keek gewoon voor me uit, en dus hem aan. Hij had kort geblondeerd haar dat hij in een David Bowie achtige coupe had gestyled. Soms kuchte hij, waarbij hij de hand met de aansteker voor zijn mond bracht.
Ik vroeg me af of hij naar een feestje ging, of dat hij gewoon vandaag zin had om zijn nieuwe masker te dragen, of dat hij dat van iemand moest. Eigenlijk wilde ik een foto van hem maken, maar soms moet je dat wat duidelijk is niet nog eens bevestigen. Ik hoopte dat hij bij mijn stop zou uitstappen. Dat deed hij, maar hij liep direct de andere kant op. Maar hij woont dus misschien wel in de buurt. Dus er is een kans dat ik hem nog eens tegen kom.
Ik kan niet wachten.
Hij droeg een spijkerbroek, licht afgetrapte hippe schoenen. Een strak jasje, een damestas-achtig leren tasje waar een grote portemonnee, een telefoon, sleutels en nog veel meer dingen in zouden kunnen passen. En een masker. Geen zwarte bivakmuts, maar een gouden carnavalsmasker.
Zijn hele gezicht werd erdoor bedekt, alleen voor zijn mond was een uitsparing. Het masker was rondom versierd met een soort gouden knoopjes, en werd verder bedekt door gekleurde pailletten. Aan zijn linkerkant (voor mij) kwam er ter hoogte van zijn wenkbrauw een soort hoorntje, natuurlijk ook van goud, dat omhoog krulde. Het andere hoorntje, dat ik op rechts verwachtte kwam onderuit de neus van het masker. Zijn ogen waren ook verborgen, achter kleine gaatjes die deden me denken aan C3PO uit Star Wars. Zijn handen waren knokig, oud. In de een hield hij ferm een aansteker vast, met de ander tikte hij met een haast agressieve energie op zijn telefoon, waarop hij een vreemd spelletje aan het spelen was, alsof zijn leven er vanaf hing.
Soms keer hij op, keek rond en richtte zijn blik dan weer op zijn telefoon. De mensen om ons heen konden hun blikken niet van hem afhouden. Maar deden dat, zoals je dat in een metro behoort te doen, met kleine tussenpozen, om daarna weer snel ongeïnteresseerd in het niets te staren.
Ik keek gewoon voor me uit, en dus hem aan. Hij had kort geblondeerd haar dat hij in een David Bowie achtige coupe had gestyled. Soms kuchte hij, waarbij hij de hand met de aansteker voor zijn mond bracht.
Ik vroeg me af of hij naar een feestje ging, of dat hij gewoon vandaag zin had om zijn nieuwe masker te dragen, of dat hij dat van iemand moest. Eigenlijk wilde ik een foto van hem maken, maar soms moet je dat wat duidelijk is niet nog eens bevestigen. Ik hoopte dat hij bij mijn stop zou uitstappen. Dat deed hij, maar hij liep direct de andere kant op. Maar hij woont dus misschien wel in de buurt. Dus er is een kans dat ik hem nog eens tegen kom.
Ik kan niet wachten.
dinsdag 8 maart 2011
China
Gisteren liep ik in de stromende regen om half elf met twee mensen door Chinatown. We hadden honger en het leek ons dat je daar op dit voor New York niet onchristelijke tijdstip toch wel moest kunnen eten. Terwijl we door de smalle straatjes liepen zagen we het ene na het andere rolluik dichtgaan, werden stoepjes voor de laatste maal die dag aangeveegd en zorgde de regen voor een verlaten sfeer. Tot we licht zagen branden en zagen hoe binnen een stuk of zeven obers en vijf koks neerzegen na een dag hard werken. Op onze vraag of we nog eten konden krijgen, werd er even in het Chinees gepraat en kregen we een korte knik, kom maar binnen. Onder het toeziend oog van twaalf Chinezen aten we snel onze Foe jong hai. Weer in de regen bespraken we de Chinese arbeidsethos: als je geld kan verdienen moet je het doen.
Vandaag zag ik de Tegenlicht documentaire over De Chinese bubbel, waarin een taxichauffeur concludeert dat hij honderd tot tweehonderd jaar zou moeten werken om een huis te kunnen kopen in de stad, en de vastgoedmagnaat besluit een stuk grond in, jawel, New York te willen kopen om er een Aziatische stad op te bouwen. "Dan noem ik het Asian Star of New Asia." De positiviteit straalt er vanaf, van de Chinezen. Of in ieder geval van de rijkere Chinezen. Zij hebben grote dromen, willen veel bereiken. De taxichauffeur hoopt dat de economie niet instort omdat er dan minder mensen met de taxi zullen willen reizen. De steigerbouwer verlangt naar het China van lang geleden. Hij voelt zich hier niet thuis, maar "zelfs in mijn dromen begeef ik me in de lucht".
De film liet me denken aan het Go West Project, van journalist Michiel Hulshof en architect Daan Roggeveen. Zij onderzoeken de ontwikkeling van nieuwe metropolen in China, die zich door de stagnerende groei van de miljoenensteden in het oosten steeds meer westwaarts strekt. In een presentatie over hun project, dat uiteindelijk in een boek resulteert, lieten zij vorig jaar in de Balie zien hoe China zich langzaam vult met nog lege steden, met lege woningen, lege (snel)wegen en enorme lege winkelcentra, waar nu nog niemand loopt, maar die wachten tot de miljoenen mensen die de komende jaren naar de stad zullen trekken, hen zullen vinden.
Volgens de econoom in De Chinese bubbel is vastgoed de enige manier van beleggen in een land waar je niet in het buitenland mag investeren, en in een tijd waarin aandelen te wisselvallig zijn. Maar op de website van het Go West Project staart de leegte je foto na foto aan.
Het deed me, om af te sluiten, denken aan een project waar ik al eerder over schreef: Highrise, out of my window. waar Tainan (ooit overigens door Nederlanders gesticht) de enige "Chinese" stad is in dit project. Het lijkt me toch dat er genoeg andere steden ook een prachtige bijdragen zouden kunnen leveren.
En bezoek de sites! Echt! Ze zijn geweldig!
Vandaag zag ik de Tegenlicht documentaire over De Chinese bubbel, waarin een taxichauffeur concludeert dat hij honderd tot tweehonderd jaar zou moeten werken om een huis te kunnen kopen in de stad, en de vastgoedmagnaat besluit een stuk grond in, jawel, New York te willen kopen om er een Aziatische stad op te bouwen. "Dan noem ik het Asian Star of New Asia." De positiviteit straalt er vanaf, van de Chinezen. Of in ieder geval van de rijkere Chinezen. Zij hebben grote dromen, willen veel bereiken. De taxichauffeur hoopt dat de economie niet instort omdat er dan minder mensen met de taxi zullen willen reizen. De steigerbouwer verlangt naar het China van lang geleden. Hij voelt zich hier niet thuis, maar "zelfs in mijn dromen begeef ik me in de lucht".
De film liet me denken aan het Go West Project, van journalist Michiel Hulshof en architect Daan Roggeveen. Zij onderzoeken de ontwikkeling van nieuwe metropolen in China, die zich door de stagnerende groei van de miljoenensteden in het oosten steeds meer westwaarts strekt. In een presentatie over hun project, dat uiteindelijk in een boek resulteert, lieten zij vorig jaar in de Balie zien hoe China zich langzaam vult met nog lege steden, met lege woningen, lege (snel)wegen en enorme lege winkelcentra, waar nu nog niemand loopt, maar die wachten tot de miljoenen mensen die de komende jaren naar de stad zullen trekken, hen zullen vinden.
Volgens de econoom in De Chinese bubbel is vastgoed de enige manier van beleggen in een land waar je niet in het buitenland mag investeren, en in een tijd waarin aandelen te wisselvallig zijn. Maar op de website van het Go West Project staart de leegte je foto na foto aan.
Het deed me, om af te sluiten, denken aan een project waar ik al eerder over schreef: Highrise, out of my window. waar Tainan (ooit overigens door Nederlanders gesticht) de enige "Chinese" stad is in dit project. Het lijkt me toch dat er genoeg andere steden ook een prachtige bijdragen zouden kunnen leveren.
En bezoek de sites! Echt! Ze zijn geweldig!
donderdag 3 maart 2011
Honger
Ik heb altijd honger. Of ik verlang altijd. Naar veel groots en meeslependheid, het moge duidelijk zijn.
De afgelopen dagen valt het me echter op dat die honger zelfs letterlijk aanwezig is. Deels zou dat kunnen komen door het vliegtuigeten, dat ik niet per definitie slecht vind, maar waarbij zelden mijn vinkje bij 'vegetarisch' goed doorkomt, wat inhoudt dat ik de helft van mijn in plastic bakjes, dampend onder de folie, geserveerde eten weer linea recta terug geef aan de dame die het me overhandigde. Of aan een medepassagier, als ik vriendjes moet maken voor meer beenruimte.
Deels zou het ook kunnen komen door de reis van het vliegveld naar mijn huis, die bemoeilijkt werd door een enorme koffer, die ik zelf had meegenomen. De overweging om een koffer mee te nemen, en geen rugzak zoals normaal, kwam voort uit het idee dat ik toch wel wat meer schoenen nodig had. Schoenen. Daarom sleepte ik een 24,5 kg wegend (zo bleek) gevaarte mijn trap af, door de opengebroken straten van Amsterdam Oost, door treinstations, vliegvelden, en de New Yorkse metro, waar de poortjes mijn koffer niet wilden doorlaten. De tocht vanaf de metro duurde uiteindelijk net iets langer dan verwacht en mijn handen konden langzaam maar zeker niets meer voorttrekken, laat staan 24,5 kilo op twee lullige wieltjes. Aangekomen in mijn nieuwe huis stortte ik lichtelijk in en konden mijn gedachten mijn lichaam niet meer zover krijgen dat het wilde opstaan om buiten eten te halen.
Dus gisterochtend had ik honger. Ongelofelijke honger.
Naar de stad, de mensen, eten, koffie, spullen, ervaringen, groots en meeslependheid!
Gelukkig is deze stad de laatste die je daarop zal aanspreken, sterker nog: ze moedigt je enthousiast aan te consumeren. De Not For Tourist gids die ik kocht - deels om mijn honger te stillen - staat vol met duizenden restaurantjes, cafés, winkels, theaters en filmhuizen waar je zonder problemen bakken met geld kunt uitgeven. Wat me echter opviel was dat ik, zelfs na de aanschaf van (in chronologische volgorde) een ontbijt van bagels en thee, een ongelofelijk geile (excusez le mot) laptop, koffie en soep én mooie boekjes om in te schrijven en te bladeren, mijn honger nog steeds niet bevredigd was. Althans, het voelde alsof ik nog niet genoeg had.
In een kapitalistische wereld zijn spullen natuurlijk dé manier om honger te stillen. En natuurlijk doe ik er aan mee. Na een dag lang geld uitgeven wil ik alles wat ik heb gebruiken om die andere honger te stillen: het verlangen naar de mensen, de ervaringen. Maar eigenlijk weet ik dat altijd hongerig blijf. Ongeacht wat er gebeurt of wat ik doe.
Volgens Boeddha is verlangen de oorzaak van het lijden en kan dat lijden alleen maar opgeheven worden als je je openstelt voor de realiteit en deze accepteert zoals ze is. Ik zal proberen me over te geven aan de realiteit, in de hoop dat de honger dan langzaam zal verminderen. Maar ik ga er ook op uit om de verschillende smaken van de New Yorkse restaurants te ontdekken. Een mens moet toch eten.
De afgelopen dagen valt het me echter op dat die honger zelfs letterlijk aanwezig is. Deels zou dat kunnen komen door het vliegtuigeten, dat ik niet per definitie slecht vind, maar waarbij zelden mijn vinkje bij 'vegetarisch' goed doorkomt, wat inhoudt dat ik de helft van mijn in plastic bakjes, dampend onder de folie, geserveerde eten weer linea recta terug geef aan de dame die het me overhandigde. Of aan een medepassagier, als ik vriendjes moet maken voor meer beenruimte.
Deels zou het ook kunnen komen door de reis van het vliegveld naar mijn huis, die bemoeilijkt werd door een enorme koffer, die ik zelf had meegenomen. De overweging om een koffer mee te nemen, en geen rugzak zoals normaal, kwam voort uit het idee dat ik toch wel wat meer schoenen nodig had. Schoenen. Daarom sleepte ik een 24,5 kg wegend (zo bleek) gevaarte mijn trap af, door de opengebroken straten van Amsterdam Oost, door treinstations, vliegvelden, en de New Yorkse metro, waar de poortjes mijn koffer niet wilden doorlaten. De tocht vanaf de metro duurde uiteindelijk net iets langer dan verwacht en mijn handen konden langzaam maar zeker niets meer voorttrekken, laat staan 24,5 kilo op twee lullige wieltjes. Aangekomen in mijn nieuwe huis stortte ik lichtelijk in en konden mijn gedachten mijn lichaam niet meer zover krijgen dat het wilde opstaan om buiten eten te halen.
Dus gisterochtend had ik honger. Ongelofelijke honger.
Naar de stad, de mensen, eten, koffie, spullen, ervaringen, groots en meeslependheid!
Gelukkig is deze stad de laatste die je daarop zal aanspreken, sterker nog: ze moedigt je enthousiast aan te consumeren. De Not For Tourist gids die ik kocht - deels om mijn honger te stillen - staat vol met duizenden restaurantjes, cafés, winkels, theaters en filmhuizen waar je zonder problemen bakken met geld kunt uitgeven. Wat me echter opviel was dat ik, zelfs na de aanschaf van (in chronologische volgorde) een ontbijt van bagels en thee, een ongelofelijk geile (excusez le mot) laptop, koffie en soep én mooie boekjes om in te schrijven en te bladeren, mijn honger nog steeds niet bevredigd was. Althans, het voelde alsof ik nog niet genoeg had.
In een kapitalistische wereld zijn spullen natuurlijk dé manier om honger te stillen. En natuurlijk doe ik er aan mee. Na een dag lang geld uitgeven wil ik alles wat ik heb gebruiken om die andere honger te stillen: het verlangen naar de mensen, de ervaringen. Maar eigenlijk weet ik dat altijd hongerig blijf. Ongeacht wat er gebeurt of wat ik doe.
Volgens Boeddha is verlangen de oorzaak van het lijden en kan dat lijden alleen maar opgeheven worden als je je openstelt voor de realiteit en deze accepteert zoals ze is. Ik zal proberen me over te geven aan de realiteit, in de hoop dat de honger dan langzaam zal verminderen. Maar ik ga er ook op uit om de verschillende smaken van de New Yorkse restaurants te ontdekken. Een mens moet toch eten.
maandag 28 februari 2011
Trein
Toen ik de kleine tweede klas coupe binnenliep, zag ik in een oogopslag dat er tegenover een jonge vrouw nog twee vrije plaatsen waren. In diezelfde oogopslag meende ik haar te herkennen, maar in de drukte die hoort bij treinen en stations leek het me beter eerst te zitten. Mocht zij het zijn die ik dacht dat het was, dan zouden we wellicht een gesprekje kunnen voeren. Ik zette mijn tassen op de bank, mijn koffie op het tafeltje en mijn broodje ernaast. Nadat ik twee hengsels van tassen over mijn hoofd had getrokken, mijn sjaals had afgewikkeld en op het punt stond mijn jas uit te trekken viel het me pas op.
Ze huilde.
Shit.
Zo goed kende ik haar nou ook weer niet. Maar aangezien het hele proces al in volle gang was kon ik moeilijk doorlopen. Ik besloot te gaan zitten. Druk organiserend, bladerend in mijn agenda, intussen koffie drinkend, gluurde ik via het raam naar haar. Ze was het wel. En ze huilde nog steeds. Zachtjes. Had ze mij herkend? Zou ze me überhaupt herkennen? En nog belangrijker: zou ze herkend willen worden? Alles in mij riep: spreek haar aan! Vraag of het gaat! Want het gaat niet! Maar wat nou als ze helemaal niet wilde dat ik iets tegen haar zei? Dat ze nu gedwongen met een vage bekende, die ze eens in de zoveel tijd tegen zou komen, haar verdriet zou moeten delen? Zou ik haar dan in een ongemakkelijke positie brengen? Bij iedere wildvreemde zou ik gevraagd hebben of ik kon helpen, had ik gevraagd of ze wilde praten of niet. Maar nu durfde ik niet.
Aangezien ik sowieso niet eindeloos voorovergebogen in mijn agenda kon kijken, keek ik eens in de zoveel tijd lichtelijk verstoord op, in een duidelijke richting zodat ze zowel links als rechts ver buiten mijn gezichtsveld zat. Om vervolgens weer net zo strak me op mijn boekje te richten.
Ze snotterde nog wel, maar ze huilde niet meer. Maar nu was de situatie al zo lang op deze wijze gaande dat ik moeilijk op kon kijken om haar plotseling toch te herkennen. Als ze wist wie ik was, wist ze ook dat ik haar gezien had. Dan hielden we nu een status quo gaande die we niet meer gingen doorbreken. Althans, ik zou niet weten hoe. Ik probeerde me voor te stellen wat er gebeurd zou kunnen zijn, maar gezien de situatie leken me de meeste mogelijkheden toch niet afdoende. Er moest op zijn minst iemand gestorven zijn, of heel ziek. Of iets anders heel ergs, dat je nooit met een bijna bekende wil delen.
Het snotteren werd weer wat erger. Ik had me in de tussentijd al neergelegd bij het feit dat dit was hoe het zou zijn. En ik hoopte van harte dat ze in Utrecht zou uitstappen, zodat ze op zou kunnen gaan in de menigte. zonder dat ze geconfronteerd werd met mijn twijfelende aanwezigheid temidden van haar verdriet.
Dus ik zweeg, en ik bleef voorovergebogen zitten. Ik keek zelfs niet op toen ze inderdaad uitstapte. Maar vanaf het moment dat ze verdween hoop ik dat ze weet dat mijn stilte een teken van respect en medeleven was, en niet van desinteresse. En ik hoop dat het inmiddels weer wat beter gaat. Achteraf had het me toch beter geleken als ik wat had gezegd.
Sorry! Vaag bekende vrouw, ik had je graag getroost!
Ze huilde.
Shit.
Zo goed kende ik haar nou ook weer niet. Maar aangezien het hele proces al in volle gang was kon ik moeilijk doorlopen. Ik besloot te gaan zitten. Druk organiserend, bladerend in mijn agenda, intussen koffie drinkend, gluurde ik via het raam naar haar. Ze was het wel. En ze huilde nog steeds. Zachtjes. Had ze mij herkend? Zou ze me überhaupt herkennen? En nog belangrijker: zou ze herkend willen worden? Alles in mij riep: spreek haar aan! Vraag of het gaat! Want het gaat niet! Maar wat nou als ze helemaal niet wilde dat ik iets tegen haar zei? Dat ze nu gedwongen met een vage bekende, die ze eens in de zoveel tijd tegen zou komen, haar verdriet zou moeten delen? Zou ik haar dan in een ongemakkelijke positie brengen? Bij iedere wildvreemde zou ik gevraagd hebben of ik kon helpen, had ik gevraagd of ze wilde praten of niet. Maar nu durfde ik niet.
Aangezien ik sowieso niet eindeloos voorovergebogen in mijn agenda kon kijken, keek ik eens in de zoveel tijd lichtelijk verstoord op, in een duidelijke richting zodat ze zowel links als rechts ver buiten mijn gezichtsveld zat. Om vervolgens weer net zo strak me op mijn boekje te richten.
Ze snotterde nog wel, maar ze huilde niet meer. Maar nu was de situatie al zo lang op deze wijze gaande dat ik moeilijk op kon kijken om haar plotseling toch te herkennen. Als ze wist wie ik was, wist ze ook dat ik haar gezien had. Dan hielden we nu een status quo gaande die we niet meer gingen doorbreken. Althans, ik zou niet weten hoe. Ik probeerde me voor te stellen wat er gebeurd zou kunnen zijn, maar gezien de situatie leken me de meeste mogelijkheden toch niet afdoende. Er moest op zijn minst iemand gestorven zijn, of heel ziek. Of iets anders heel ergs, dat je nooit met een bijna bekende wil delen.
Het snotteren werd weer wat erger. Ik had me in de tussentijd al neergelegd bij het feit dat dit was hoe het zou zijn. En ik hoopte van harte dat ze in Utrecht zou uitstappen, zodat ze op zou kunnen gaan in de menigte. zonder dat ze geconfronteerd werd met mijn twijfelende aanwezigheid temidden van haar verdriet.
Dus ik zweeg, en ik bleef voorovergebogen zitten. Ik keek zelfs niet op toen ze inderdaad uitstapte. Maar vanaf het moment dat ze verdween hoop ik dat ze weet dat mijn stilte een teken van respect en medeleven was, en niet van desinteresse. En ik hoop dat het inmiddels weer wat beter gaat. Achteraf had het me toch beter geleken als ik wat had gezegd.
Sorry! Vaag bekende vrouw, ik had je graag getroost!
donderdag 24 februari 2011
Big Apple
Het is gemakkelijk om weg te zwijmelen bij mooie fantasieën over grote avonturen, belangrijke gebeurtenissen of andere toekomstige en wellicht daadwerkelijk uitgevoerde projecten. Maar om er dan vervolgens werk van te maken, dat is toch wel een tweede.
Dus kon ik heel makkelijk twee jaar geleden besluiten om over een jaar (in 2010) in New York te zullen wonen. Ik zag het al helemaal voor me: koffie drinken met vrienden in een van de duizenden coffeeshops, aan het werk op een plek met uitzicht over Manhattan, en net als alle andere commuters 's ochtends verveeld in de metro zitten omdat je nu wel weet hoe je het snelst op de plek van bestemming moet komen. Op het moment dat ik het bedacht zweefde ik bij iedere stap die ik zette nog op een halve meter hoogte van geluk omdat ik er (weer) was. Een half jaar eerder zette ik er mijn eerste stappen, werd verliefd, en besloot terug te gaan. Tijdens mijn tweede bezoek werd ik steeds weer emotioneel als ik dacht aan dat grote besluit dat ik zojuist genomen had. Dit zou mijn thuis worden!
Na terugkomst bleek het allemaal niet zo gemakkelijk. Zelfs het uitzoeken van de mogelijkheden kostte tijd en moeite en was vooral erg ontmoedigend. Hoewel ik in mijn fantasieën nog steeds koffie zat te drinken met nog onbekende vrienden, fietste ik in werkelijkheid gewoon weer door Amsterdam, dat er opeens veel mooier, fijner en zonniger uitzag dan dat ik het ooit had gezien. In de afgelopen twee jaar ben ik hernieuwde liefde voor Amsterdam gaan voelen. voor de cafés en theaters, waar ik met vrienden koffie drink, voor het feit dat ik overal op de fiets naar toe kan gaan, voor mijn werk en werkplek. Voor mijn leven hier.
Een mooi moment dus om er even uit te stappen. Niet voor altijd, en helemaal niet lang. Maar lang genoeg om even echt weg te zijn, en andere dingen te proberen. Zonder werk, zonder doel. Ik ga koffie drinken in New York. Ik ga schrijven, filmen en leven. En als het ook daar niet van komt (van dat schrijven en filmen) dan ga ik er gewoon zijn. Omdat het kan. Omdat mijn fantasie in verkleinde versie en met dank aan velen werkelijkheid is geworden.
De belangrijkste les? Dat je moet blijven fantaseren, maar dat je ook moet doen. Want who knows, sometimes dreams can come true.
Talking Big Apple '75
Dus kon ik heel makkelijk twee jaar geleden besluiten om over een jaar (in 2010) in New York te zullen wonen. Ik zag het al helemaal voor me: koffie drinken met vrienden in een van de duizenden coffeeshops, aan het werk op een plek met uitzicht over Manhattan, en net als alle andere commuters 's ochtends verveeld in de metro zitten omdat je nu wel weet hoe je het snelst op de plek van bestemming moet komen. Op het moment dat ik het bedacht zweefde ik bij iedere stap die ik zette nog op een halve meter hoogte van geluk omdat ik er (weer) was. Een half jaar eerder zette ik er mijn eerste stappen, werd verliefd, en besloot terug te gaan. Tijdens mijn tweede bezoek werd ik steeds weer emotioneel als ik dacht aan dat grote besluit dat ik zojuist genomen had. Dit zou mijn thuis worden!
Na terugkomst bleek het allemaal niet zo gemakkelijk. Zelfs het uitzoeken van de mogelijkheden kostte tijd en moeite en was vooral erg ontmoedigend. Hoewel ik in mijn fantasieën nog steeds koffie zat te drinken met nog onbekende vrienden, fietste ik in werkelijkheid gewoon weer door Amsterdam, dat er opeens veel mooier, fijner en zonniger uitzag dan dat ik het ooit had gezien. In de afgelopen twee jaar ben ik hernieuwde liefde voor Amsterdam gaan voelen. voor de cafés en theaters, waar ik met vrienden koffie drink, voor het feit dat ik overal op de fiets naar toe kan gaan, voor mijn werk en werkplek. Voor mijn leven hier.
Een mooi moment dus om er even uit te stappen. Niet voor altijd, en helemaal niet lang. Maar lang genoeg om even echt weg te zijn, en andere dingen te proberen. Zonder werk, zonder doel. Ik ga koffie drinken in New York. Ik ga schrijven, filmen en leven. En als het ook daar niet van komt (van dat schrijven en filmen) dan ga ik er gewoon zijn. Omdat het kan. Omdat mijn fantasie in verkleinde versie en met dank aan velen werkelijkheid is geworden.
De belangrijkste les? Dat je moet blijven fantaseren, maar dat je ook moet doen. Want who knows, sometimes dreams can come true.
Talking Big Apple '75
dinsdag 8 februari 2011
Dagelijks
ik ben een enorme fan van The Daily Show. Voor de mensen die nog niet dagelijks, of in ieder geval op regelmatige basis, achter hun televisie of computer genieten van Jon Stewart en zijn crew: The Daily Show is een Amerikaanse talkshow waarin op satirische wijze het - meestal Amerikaanse - nieuws vanuit een links standpunt besproken wordt. De show bestaat al sinds 1996, Stewart presenteert sinds 1999. Een van zijn vaste reporters, onderdeel van The best F#@king News Team Ever, is Stephen Colbert, die zijn eigen net zo grappige, maar juist republikeins getinte versie van het nieuws geeft in The Colbert Report. Samen geven Stewart en Colbert een humoristische maar ook kritische weergave van de gang van zaken in de Amerikaanse politiek.
In het begin vermoedde ik nog dat er creatief gewerkt werd in de montagekamer, maar na enkele malen zelf voor een Amerikaans televisietoestel te hebben gezeten, en de verschillende talkshows en nieuwsuitzendingen te hebben gezien, realiseerde ik me dat het nieuws dat deze shows presenteren lang niet zo verknipt is als het lijkt. De conclusie zou mogen zijn dat een groot deel (alle?) van de Amerikaanse nieuwszenders creatiever en verknipter omgaat met de werkelijkheid dan twee satirische talkshows die aan het einde van de avond worden uitgezonden.
Een geliefd onderwerp van de show is FOX News, het grootste en meest rechts georiënteerde televisienetwerk. In reactie op de Restoring Honor Rally van FOX presentator Glenn Beck, organiseerden Stewart en Colbert eind oktober vorig jaar een Rally to Restore Sanity and/or Keep Fear Alive, waarbij ze de nationale media én de nationale politici tot de orde probeerden te roepen. Een evenement waar ongeveer 215.000 mensen op af kwamen.
En nu is er een Nederlandse editie van The Daily Show.
Met Jan-Jaap van der Wal als presentator. Die geen auto-cue kan lezen, en die de timing van Stewart mist. Met reporters als Daniel Arends en Bas Hoeflaak, die zogenaamd ergens op locatie staan om over een nieuwsfeit te praten.
Ik had me er zo op verheugd.
Ik miste een dergelijke show zo in het Nederlandse televisie aanbod.
Een show die kritisch kijkt naar de wereld, die niet bang is, waar een poging gedaan wordt om de verbanden te leggen, zodat je als kijker een nieuw inzicht zou kunnen krijgen, of op zijn minst zelf de verbanden kunt gaan zien.
Maar vooralsnog - en ik geef toe: er zijn pas vier afleveringen gemaakt, geef het zijn tijd, het moet groeien, alle begin is moeilijk, zeker als je de show vergelijkt met zijn Amerikaanse grote broer - lukt het me niet om mee te gaan in de grappen van de schrijvers. Waarom niet? Omdat ik het nationale Nederlandse nieuws zo knullig vind. Omdat ik geen zin heb in fragmenten uit DWDD, omdat ik het niet kan helpen te zoeken naar Peter van de Witte, als ik zijn wederhelft Bas zie. Omdat het voelt alsof de Nederlandse cabaretwereld genoeg had van Koefnoen en Kopspijkers en ze nu met z'n allen een nieuw projectje hebben.
Ik wacht af. Wie weet komen ze er nog lekker in. Of kom ik er nog lekker in. Het zou zo mooi kunnen zijn. Een Nederlandse Daily Show.
In het begin vermoedde ik nog dat er creatief gewerkt werd in de montagekamer, maar na enkele malen zelf voor een Amerikaans televisietoestel te hebben gezeten, en de verschillende talkshows en nieuwsuitzendingen te hebben gezien, realiseerde ik me dat het nieuws dat deze shows presenteren lang niet zo verknipt is als het lijkt. De conclusie zou mogen zijn dat een groot deel (alle?) van de Amerikaanse nieuwszenders creatiever en verknipter omgaat met de werkelijkheid dan twee satirische talkshows die aan het einde van de avond worden uitgezonden.
Een geliefd onderwerp van de show is FOX News, het grootste en meest rechts georiënteerde televisienetwerk. In reactie op de Restoring Honor Rally van FOX presentator Glenn Beck, organiseerden Stewart en Colbert eind oktober vorig jaar een Rally to Restore Sanity and/or Keep Fear Alive, waarbij ze de nationale media én de nationale politici tot de orde probeerden te roepen. Een evenement waar ongeveer 215.000 mensen op af kwamen.
En nu is er een Nederlandse editie van The Daily Show.
Met Jan-Jaap van der Wal als presentator. Die geen auto-cue kan lezen, en die de timing van Stewart mist. Met reporters als Daniel Arends en Bas Hoeflaak, die zogenaamd ergens op locatie staan om over een nieuwsfeit te praten.
Ik had me er zo op verheugd.
Ik miste een dergelijke show zo in het Nederlandse televisie aanbod.
Een show die kritisch kijkt naar de wereld, die niet bang is, waar een poging gedaan wordt om de verbanden te leggen, zodat je als kijker een nieuw inzicht zou kunnen krijgen, of op zijn minst zelf de verbanden kunt gaan zien.
Maar vooralsnog - en ik geef toe: er zijn pas vier afleveringen gemaakt, geef het zijn tijd, het moet groeien, alle begin is moeilijk, zeker als je de show vergelijkt met zijn Amerikaanse grote broer - lukt het me niet om mee te gaan in de grappen van de schrijvers. Waarom niet? Omdat ik het nationale Nederlandse nieuws zo knullig vind. Omdat ik geen zin heb in fragmenten uit DWDD, omdat ik het niet kan helpen te zoeken naar Peter van de Witte, als ik zijn wederhelft Bas zie. Omdat het voelt alsof de Nederlandse cabaretwereld genoeg had van Koefnoen en Kopspijkers en ze nu met z'n allen een nieuw projectje hebben.
Ik wacht af. Wie weet komen ze er nog lekker in. Of kom ik er nog lekker in. Het zou zo mooi kunnen zijn. Een Nederlandse Daily Show.
| The Daily Show With Jon Stewart | Mon - Thurs 11p / 10c | |||
| Bill O'Reilly Defends His Nazi Analogies | ||||
| www.thedailyshow.com | ||||
| ||||
zondag 30 januari 2011
Geur
Wanneer ik in een donkere zaal van een voorstelling of film zit te genieten valt het me iedere keer weer op: alle geuren om me heen. De meneer voor me die een heerlijke aftershave op heeft, het wanstaltige parfum van de vrouw schuin achter me. Soms zijn het kleine vleugjes, die heel even je neus passeren en nooit meer terug komen. Andere keren ruik je ze steeds wanneer je gaat verzitten en iets te dicht bij je buurman of -vrouw komt. Helaas zijn het niet altijd fijne geurtjes. Soms bevatten ze de zweetlucht van iemand die net iets te hard moest fietsen om op tijd te zijn, of een eau de toilette die niet past.
Hoe dan ook: mijn conclusie is: geuren bepalen je perceptie van een voorstelling of film. Steeds weer als ik iets ruik, dwalen mijn gedachten af van wat zich voor mijn ogen afspeelt, en vraag ik me af of ik het anders zou ontvangen als de geur die ik ruik lekkerder of juist viezer zou zijn. En hoe zou die perceptie dan zijn? Zou ik de voorstelling dan minder mooi vinden? Zou ik minder hard lachend naar voren buigen, omdat ik de odeur van de persoon voor me zou willen vermijden?
Mijn volgende gedachte is dan steeds weer om het eens uit te proberen. Ik zou wel eens een geurenvoorstelling willen maken, waarbij je dan, tijdens het stuk of de film, verschillende geurtjes toegewaaid krijgt. Vervolgens moet je de voorstelling een tweede keer zien, met andere geurtjes, om te kijken of er een verschil is. Ik weet wat je nu wil zeggen en ik zal je voor zijn: hierbij faalt het experiment alweer jammerlijk. Want wanneer je een voorstelling voor de tweede keer ziet, zijn er al twee variabelen: de geurtjes én het feit dat je weet wat er komen gaat, waardoor iedere mogelijke vergelijking niet opgaat.
En dus worden mijn gedachten weer bruut gestopt. Want het is niet mogelijk om te zien of het wat uitmaakt. Toch word ik ook iedere keer weer blij als mijn geurenexperiment door mijn hoofd schiet. Je krijgt gratis en voor niets iedere voorstelling nog een extra belevenis erbij, waarvan misschien niet iedereen zich bewust is, maar die naar mijn idee zeker bijdraagt aan een voorstelling of film. Let er zelf maar eens op, de volgende keer dat je in een donkere zaal zit. En fiets niet te hard op weg naar het theater.
Hoe dan ook: mijn conclusie is: geuren bepalen je perceptie van een voorstelling of film. Steeds weer als ik iets ruik, dwalen mijn gedachten af van wat zich voor mijn ogen afspeelt, en vraag ik me af of ik het anders zou ontvangen als de geur die ik ruik lekkerder of juist viezer zou zijn. En hoe zou die perceptie dan zijn? Zou ik de voorstelling dan minder mooi vinden? Zou ik minder hard lachend naar voren buigen, omdat ik de odeur van de persoon voor me zou willen vermijden?
Mijn volgende gedachte is dan steeds weer om het eens uit te proberen. Ik zou wel eens een geurenvoorstelling willen maken, waarbij je dan, tijdens het stuk of de film, verschillende geurtjes toegewaaid krijgt. Vervolgens moet je de voorstelling een tweede keer zien, met andere geurtjes, om te kijken of er een verschil is. Ik weet wat je nu wil zeggen en ik zal je voor zijn: hierbij faalt het experiment alweer jammerlijk. Want wanneer je een voorstelling voor de tweede keer ziet, zijn er al twee variabelen: de geurtjes én het feit dat je weet wat er komen gaat, waardoor iedere mogelijke vergelijking niet opgaat.
En dus worden mijn gedachten weer bruut gestopt. Want het is niet mogelijk om te zien of het wat uitmaakt. Toch word ik ook iedere keer weer blij als mijn geurenexperiment door mijn hoofd schiet. Je krijgt gratis en voor niets iedere voorstelling nog een extra belevenis erbij, waarvan misschien niet iedereen zich bewust is, maar die naar mijn idee zeker bijdraagt aan een voorstelling of film. Let er zelf maar eens op, de volgende keer dat je in een donkere zaal zit. En fiets niet te hard op weg naar het theater.
woensdag 29 december 2010
Donkere dagen
Je hebt mensen die zich al maanden verheugen op kerst en oud en nieuw. Die half augustus met een kookboek in de zon gaan zitten om het kerstdiner samen te stellen. Die half oktober alle Sinterklaas en kerstcadeaus al ingepakt en wel achterin de kledingkast hebben liggen. Die in de uitverkoop van vorig jaar alvast hun nieuwe outfit hebben gekocht en niet kunnen wachten om te schitteren tijdens eerste en tweede kerstdag in het nabij gelegen restaurant, waar de rest van de stad ook gereserveerd heeft.
Ze zijn er. Van die mensen die, in hun handen wrijvend, zin zeggen te hebben in de winter en die niet kunnen wachten tot de dagen korter worden.
En dan heb je de mensen die dat allemaal niet hebben. Die in meer of mindere mate zenuwachtig worden bij het naderen van december. Die je op vierentwintig december gehaast en met rode vlekken in hun nek door de winkelstraat ziet rennen in de hoop binnen twee uur alle cadeautjes gekocht te hebben zodat ze nog tijd hebben om boodschappen te doen voor het eten. Die je licht gestrest en met verwilderde ogen het restaurant ziet binnenkomen omdat ze niet naast een bepaald familielid willen zitten. Van die mensen die niet kunnen wachten tot januari weer begint, zodat ze eindelijk kunnen beginnen met hun nieuwe voornemens.
En dan is er nog een groep. Mensen die maar op halve kracht draaien. Die niet kunnen rennen, die niet kunnen voorbereiden. Omdat het allemaal teveel moeite kost. Ik denk dat ik tot deze groep behoor. Ik heb nét op tijd mijn cadeautjes binnen, heb het geluk dat ik alleen tijdens het kerstdiner hoef na te denken over eten, en heb geen ontzettend vervelende familieleden waar ik niet naast wil zitten. Wat ertoe leidt dat ik alles over me heen laat komen.
Voor mijn groep mensen is schuilen de beste manier om deze dagen door te komen. Wanneer mijn aanwezigheid niet meer nodig is, trek ik me terug. In mijn huis en in donkere filmzalen, waar ik me verlies in de verhalen van anderen. Door het ontbreken van enige verplichtingen slaap ik eerst tot onwaardige tijdstippen uit, waarna ik met de gordijnen dicht in huis rondscharrel. Wanneer de schemering alweer langzaam inzet, waag ik me buiten, met mijn muts ver over mijn hoofd heengetrokken om ieder overbodig licht tegen te houden. Pas in de zaal voelt het weer veilig. Het licht van de projectie brengt namelijk afleiding en vermaak.
Voor een ieder die zich hierin herkent, en ook voor hen die al dan niet van deze tijd van het jaar houden heb ik een aantal tips:
Ga naar Potiche, als je van humoristische Franse films met Gerard Depardieu en Catherne Deneuve houdt, maar verwacht geen standaard Franse film! Another Year is zo'n heerlijke film van Mike Leigh, waarbij het volmaakte geluk wordt aangevuld door alle ellende van anderen. Een film die hartverscheurend is, maar ook prachtig en liefdevol. En voor ouderwets Amerikaans filmhuis vermaak is er The Kids Are All Right. Over een niet zo standaard standaard Amerikaans gezin, waarbij alle vooroordelen worden bevestigd en ontkracht.
Het belangrijkst is: laat je gaan! Lach mee! Het maakt niet uit of het om de herkenning of de verbazing is. Of het uit medelijden of zelfmedelijden is. Houd je niet in omdat er andere mensen in de zaal zitten. Ik heb me al dagen samen met volslagen onbekenden enorm vermaakt om wat we zagen. De feestdagen gaan toch uiteindelijk om samenzijn?
Potiche
Another Year
The Kids Are All Right
Ze zijn er. Van die mensen die, in hun handen wrijvend, zin zeggen te hebben in de winter en die niet kunnen wachten tot de dagen korter worden.
En dan heb je de mensen die dat allemaal niet hebben. Die in meer of mindere mate zenuwachtig worden bij het naderen van december. Die je op vierentwintig december gehaast en met rode vlekken in hun nek door de winkelstraat ziet rennen in de hoop binnen twee uur alle cadeautjes gekocht te hebben zodat ze nog tijd hebben om boodschappen te doen voor het eten. Die je licht gestrest en met verwilderde ogen het restaurant ziet binnenkomen omdat ze niet naast een bepaald familielid willen zitten. Van die mensen die niet kunnen wachten tot januari weer begint, zodat ze eindelijk kunnen beginnen met hun nieuwe voornemens.
En dan is er nog een groep. Mensen die maar op halve kracht draaien. Die niet kunnen rennen, die niet kunnen voorbereiden. Omdat het allemaal teveel moeite kost. Ik denk dat ik tot deze groep behoor. Ik heb nét op tijd mijn cadeautjes binnen, heb het geluk dat ik alleen tijdens het kerstdiner hoef na te denken over eten, en heb geen ontzettend vervelende familieleden waar ik niet naast wil zitten. Wat ertoe leidt dat ik alles over me heen laat komen.
Voor mijn groep mensen is schuilen de beste manier om deze dagen door te komen. Wanneer mijn aanwezigheid niet meer nodig is, trek ik me terug. In mijn huis en in donkere filmzalen, waar ik me verlies in de verhalen van anderen. Door het ontbreken van enige verplichtingen slaap ik eerst tot onwaardige tijdstippen uit, waarna ik met de gordijnen dicht in huis rondscharrel. Wanneer de schemering alweer langzaam inzet, waag ik me buiten, met mijn muts ver over mijn hoofd heengetrokken om ieder overbodig licht tegen te houden. Pas in de zaal voelt het weer veilig. Het licht van de projectie brengt namelijk afleiding en vermaak.
Voor een ieder die zich hierin herkent, en ook voor hen die al dan niet van deze tijd van het jaar houden heb ik een aantal tips:
Ga naar Potiche, als je van humoristische Franse films met Gerard Depardieu en Catherne Deneuve houdt, maar verwacht geen standaard Franse film! Another Year is zo'n heerlijke film van Mike Leigh, waarbij het volmaakte geluk wordt aangevuld door alle ellende van anderen. Een film die hartverscheurend is, maar ook prachtig en liefdevol. En voor ouderwets Amerikaans filmhuis vermaak is er The Kids Are All Right. Over een niet zo standaard standaard Amerikaans gezin, waarbij alle vooroordelen worden bevestigd en ontkracht.
Het belangrijkst is: laat je gaan! Lach mee! Het maakt niet uit of het om de herkenning of de verbazing is. Of het uit medelijden of zelfmedelijden is. Houd je niet in omdat er andere mensen in de zaal zitten. Ik heb me al dagen samen met volslagen onbekenden enorm vermaakt om wat we zagen. De feestdagen gaan toch uiteindelijk om samenzijn?
Potiche
Another Year
The Kids Are All Right
woensdag 17 november 2010
Schat
Stel, je bent een Britse ontdekkingsreiziger. Je bent een van de achtenzestig Britse ontdekkingsreizigers die op Wikipedia te vinden zijn. Je hebt van de koning George IV een schip gekregen om de wereldzeeën te bevaren. Met dat schip, en een honderdtal bemanning vaar je weg over de Thames. Nog voordat je de Noordzee hebt bereikt, om langs Frankrijk af te dalen naar onbekende landen, kom je terecht in een flinke storm. Je realiseert je dat deze reis niet makkelijk zal worden.
Dagenlang vaar je met je bemanning zuidwaarts. Wanneer je het zuidelijkste puntje van Spanje hebt bereikt, en je Marokko kunt zien liggen, koers je westwaarts. Dit gebied ken je al. Je vaart door, richting de Nijldelta. Daar ga je aan wal en werk je weken aan een expeditie. Je huurt dragers, lastdieren, materialen en eindelijk kan je vertrekken. In de onverdraaglijke hitte, die je iedere dag weer zo bevangt dat je bang bent dat je de Big Ben nooit meer zal horen luiden, trek je met je stoet richting de woestijn.
De verhalen over de geometrische gebouwen hadden Engeland al enkele jaren eerder bereikt, maar het had even geduurd voordat de koning eindelijk genoeg geld had gehaald uit Frankrijk om de hele onderneming te kunnen betalen. Je weet waar je naar op weg bent, maar als je in de verte de driehoeken ziet verschijnen, die steeds groter worden, waardoor jij je steeds nietiger voelt, dan pas begrijp je wat men bedoelde wanneer men het over 'wonderen' had.
Eindelijk aangekomen zet je kamp op aan de voet van de piramide. De vreemde wetenschapper, die de koning met je mee had gestuurd, gaat aan het werk. Hij laat wat mannen een van de toegangsdeuren forceren en begeeft zich in het bouwwerk. Even ben je bang dat hij nooit meer terug zal keren, maar een paar uur later komt hij samen met de mannen naar buiten. Ze dragen de vreemdste spullen bij zich. Herhaaldelijk lopen ze op en neer, ze laden de draagbaren vol. Wekenlang wacht je tot de man eindelijk klaar is met zijn werk. Je laat het kamp weer opbreken en trekt langzaam weer terug richting je schip dat helemaal vol geladen wordt met kostbaarheden. Niet alleen vazen en lepels, maar ook grafkisten en dode dieren worden meegenomen. Je laat alles opslaan onderdeks en kijkt er niet meer naar om. Zo snel mogelijk vaar je terug naar huis om die beladen vracht weer te kunnen lossen. 's Nachts droom je van de blikken van de Egyptenaren, die soms angstig, soms agressief de stoet bekeken hadden. Je kon hun vloeken niet verstaan, maar je weet wat ze bedoelden. In Londen bied je je gevonden schat aan de koning aan. Je geeft de wetenschapper een hand en je gaat naar huis waar je je vrouw kust na al die weken van gemis.
Ik kon het niet helpen dat ik aan dit scenario moest denken toen ik in het British Museum al die schatten zag liggen. Terwijl het publiek langzaam voorbij de glazen vitrines schuifelde en zachtjes flauwe opmerkingen maakte over de tanden in de mond van de mummie, stond ik al tien minuten me af te vragen hoe het nou kon dat daar een dood mens lag, dat drieduizend jaar geleden met die tanden brood had gegeten. Een mens dat gestorven was, en in de hoop op reïncarnatie zijn lichaam had laten balsemen. En nu lag hij daar: in een glazen vitrine in een onmetelijk groot museum in een regenachtige stad in Noord Europa. Ik geloof niet dat dit het idee van reïncarnatie is geweest, dit hiernamaals van de eenentwintigste eeuw.
Dagenlang vaar je met je bemanning zuidwaarts. Wanneer je het zuidelijkste puntje van Spanje hebt bereikt, en je Marokko kunt zien liggen, koers je westwaarts. Dit gebied ken je al. Je vaart door, richting de Nijldelta. Daar ga je aan wal en werk je weken aan een expeditie. Je huurt dragers, lastdieren, materialen en eindelijk kan je vertrekken. In de onverdraaglijke hitte, die je iedere dag weer zo bevangt dat je bang bent dat je de Big Ben nooit meer zal horen luiden, trek je met je stoet richting de woestijn.
De verhalen over de geometrische gebouwen hadden Engeland al enkele jaren eerder bereikt, maar het had even geduurd voordat de koning eindelijk genoeg geld had gehaald uit Frankrijk om de hele onderneming te kunnen betalen. Je weet waar je naar op weg bent, maar als je in de verte de driehoeken ziet verschijnen, die steeds groter worden, waardoor jij je steeds nietiger voelt, dan pas begrijp je wat men bedoelde wanneer men het over 'wonderen' had.
Eindelijk aangekomen zet je kamp op aan de voet van de piramide. De vreemde wetenschapper, die de koning met je mee had gestuurd, gaat aan het werk. Hij laat wat mannen een van de toegangsdeuren forceren en begeeft zich in het bouwwerk. Even ben je bang dat hij nooit meer terug zal keren, maar een paar uur later komt hij samen met de mannen naar buiten. Ze dragen de vreemdste spullen bij zich. Herhaaldelijk lopen ze op en neer, ze laden de draagbaren vol. Wekenlang wacht je tot de man eindelijk klaar is met zijn werk. Je laat het kamp weer opbreken en trekt langzaam weer terug richting je schip dat helemaal vol geladen wordt met kostbaarheden. Niet alleen vazen en lepels, maar ook grafkisten en dode dieren worden meegenomen. Je laat alles opslaan onderdeks en kijkt er niet meer naar om. Zo snel mogelijk vaar je terug naar huis om die beladen vracht weer te kunnen lossen. 's Nachts droom je van de blikken van de Egyptenaren, die soms angstig, soms agressief de stoet bekeken hadden. Je kon hun vloeken niet verstaan, maar je weet wat ze bedoelden. In Londen bied je je gevonden schat aan de koning aan. Je geeft de wetenschapper een hand en je gaat naar huis waar je je vrouw kust na al die weken van gemis.
Ik kon het niet helpen dat ik aan dit scenario moest denken toen ik in het British Museum al die schatten zag liggen. Terwijl het publiek langzaam voorbij de glazen vitrines schuifelde en zachtjes flauwe opmerkingen maakte over de tanden in de mond van de mummie, stond ik al tien minuten me af te vragen hoe het nou kon dat daar een dood mens lag, dat drieduizend jaar geleden met die tanden brood had gegeten. Een mens dat gestorven was, en in de hoop op reïncarnatie zijn lichaam had laten balsemen. En nu lag hij daar: in een glazen vitrine in een onmetelijk groot museum in een regenachtige stad in Noord Europa. Ik geloof niet dat dit het idee van reïncarnatie is geweest, dit hiernamaals van de eenentwintigste eeuw.
Abonneren op:
Posts (Atom)