Posts tonen met het label reizen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reizen. Alle posts tonen

zondag 5 januari 2014

Reisperikelen

Eind 2013 verliet ik voor de vierde keer vaderlandsche bodem. Reizen is heerlijk. Ik houd van het 'onderweg' zijn, het niemandsland van vliegvelden en treinstations, waar je op kunt gaan in de massa die bezig is zich te verplaatsen van a naar b. De kleine rituelen die gepaard gaan met het reizen; de paspoortcontrole, het uitdelen van de maaltijden in het vliegtuig, de vreemde geuren en kleuren die bij nieuwe bestemmingen horen. En tenslotte de ontdekkingstocht in die nieuwe wereld, waar je moet uitzoeken hoe het nu allemaal precies in elkaar zit.

Reizen is heerlijk, maar het heeft ook een andere kant. Hoe meer ik reis, hoe meer ik me daarvan bewust word. Douaniers die je met grote argwaan aanspreken en je behandelen alsof je een gelukszoeker bent die nooit meer weg zal gaan. Het besef dat al die vliegtuigmaaltijden gepaard gaan met eindeloze hoeveelheden plastic. Het vliegen zelf dat in principe iedere milieuvriendelijke keuze die ik verder maak totaal teniet doet. De frustratie die bij de ontdekkingstocht op een nieuwe plek komt kijken als de dingen anders - en daardoor vaak onlogisch - zijn dan thuis.

Het is geen oplossing om dan maar onder een Amsterdamse steen te kruipen en nooit meer mijn paspoort en ondergoed in te pakken om weg te gaan. Dus besluit ik me niet te laten intimideren door norse douanebeambten en kies ik er bewust voor niet door de bodyscan te gaan.
En hoewel de nadelen van vliegen voor het milieu groot zijn, wegen ze uiteindelijk voor mij nog steeds niet op tegen die uiteindelijke bestemming ver van huis, en dus betaal ik iets meer ter CO2 compensatie (al is dat ook een dubieuze business) en neem ik verder (ook buiten het reizen om) altijd mijn eigen koffiekop en draagtas mee.
De frustraties van de ontdekkingstocht zullen blijven, maar uiteindelijk leiden ze vaak tot nieuwe inzichten, en leer je dat dingen ook anders gedaan kunnen worden.

Reizen is heerlijk. Maar ik denk dat het goed is om je te realiseren dat de andere kant er ook is. Vervolgens kan je daar dan natuurlijk weer mee doen wat je wil.

donderdag 16 mei 2013

Afghanistan

Het was juli 2002, ik vloog na acht maanden te hebben gereisd met een zwaar hart terug naar Europa. Hoewel ik klaar was met het steeds in en uitpakken van mijn spullen en vooral met het slepen met mijn rugzak, wilde ik de wijde wereld nog niet verlaten. Die eerste reis smaakte naar meer, en ik kon niet wachten om andere plekken te ontdekken. De wereld schoof langzaam onder me voorbij, terwijl ik met mijn neus tegen het raampje gedrukt nieuwe bestemmingen zocht.
We vlogen over bergen. Eindeloze bergen, kaal en droog, zonder ook maar iets van bos of water dat de bruine aarde bedekte. Ik keek op het vliegschema om te zien waar we vlogen: Afghanistan.

Sinds die vlucht, dat moment van verbazing over de omvang van zoveel niets, en de wetenschap dat in dat niets een hele bevolking leefde, wil ik er naar toe. Nu deed ik mijn ontdekking een paar maanden na de Amerikaanse inval in hun zoektocht naar Al Qaida, wat een spoedig bezoek enigszins belemmerde, en dat waarschijnlijk nog wel een tijdje zal doen.

In de tussentijd blijf ik gefascineerd door het land en de mensen en kijk ik met verbazing naar reportages en documentaires die daarover gemaakt worden. Zo is er nu een nieuwe serie, van journaliste Natalie Righton, die in 2010 naar Afghanistan vertrok om van binnenuit verslag van de situatie te doen. Hoewel duidelijk is hoe gevaarlijk het is om daar momenteel als westerse vrouw rond te lopen, voedt haar verhaal ook mijn verlangen.
Ooit. Ooit ga ik het zelf zien.



woensdag 8 mei 2013

Online vriendschap

Steeds als ik in het buitenland ben, besef ik weer hoe bijzonder vriendschappen zijn. De afwezigheid van mijn vrienden maakt mijn dagelijkse leven een stuk rustiger, en saaier. Ik realiseer me hoe hun aanwezigheid me normaal inspireert en voedt en hoe fijn het is ze om me heen te hebben.
Nu is het tegenwoordig praktisch onmogelijk om níet in contact te blijven, met dank aan de sociale media en het internet die alle afstanden relatief maken. Ik chat dagelijks met vrienden op Facebook, Skype minimaal eens per week met vriendin A. en mail regelmatig met M. over de Belangrijke Zaken Des Levens.

De laatste jaren heb ik - en ik ben vast niet de enige - vaak discussies over de online versus de wereldlijke vriendschappen. Als voorstander en gebruiker van sociale media vind ik het geweldig dat ik op een simpele manier op de hoogte blijf van andermans doen en laten, ook als ik mensen niet zo vaak zie. Naar mijn mening doet het verder ook geen afbreuk aan de waarde of echtheid van vriendschappen, maar biedt het vooral de mogelijkheid om vriendschappen te laten bestaan die anders wellicht geen kans op overleven hadden gehad. Er zijn mensen die ik helemaal niet zo goed ken, die ik op reis ontmoet heb en die ik in mijn dagelijkse leven praktisch nooit zie, maar die ik toch als dierbare vrienden beschouw.


Zoals mijn vrienden Sam en Heinrich, die mij elf jaar geleden een lift gaven in Nieuw Zeeland, en die ik sindsdien zo'n vier keer op verschillende plekken in de wereld gezien heb. Ik weet niets van hun dagelijkse leven, hun favoriete restaurants of de namen van hun ouders, ik weet niet eens hoe hun huis er nu uit ziet. Maar ik weet wie ze zijn, wat ze doen, waar ze wonen. Ik weet dat ze een hond hebben, en katten, en dat ze van reizen houden en dankzij Facebook zie ik flarden van hun leven voorbij komen. Elk weerzien voelt vertrouwd, alsof we elkaar gisteren nog zagen. Dat komt enerzijds door de sociale media, en anderzijds omdat ze gewoon heel leuk zijn en onze vriendschap blijkbaar geen wekelijkse updates nodig heeft. En de wetenschap dat deze twee heren aan de andere kant van de wereld hun leven leiden, en ook een deel van mijn leven zijn, hoe klein dan ook, vind ik bijzonder.



Overigens heeft de Amerikaan Paul Miller afgelopen week na een jaar lang offline te zijn geweest de online wereld weer opgezocht en trekt hij bijzondere conclusies over de voor- en nadelen van ons online leven.


zondag 31 maart 2013

Monoloog

Ik ben net ingestapt en zit op een tweezitter die met de rijrichting mee kijkt. Wanneer ik mijn jas uittrek en me installeer voor de reis naar huis hoor ik achter me gemompel. Eerst denk ik dat de morsige stem achter me het gezelschap is van de dame van middelbare leeftijd die aan de andere kant van het gangpad zit. Hij vraagt haar luid of dit de trein naar Den Haag is. Haar reactie is terughoudend, ze knikt en draait zich met haar rug naar hem toe.
Terwijl de trein langzaam in beweging komt luister ik, deels onvrijwillig, naar zijn monoloog:

"Kouwe klauwen jonguh, ik heb sulke kouwe klauwen.
Als ik thuis kom mot ik men medicijnen nemen, die ben ik helemaal vergetuh.
Ga ik een kaartje kopuh, kost me drie euro, is er geen controluh. Ben ik toch drie euro kwijt. Drie euro.
Ik heb nog een tientje geleend van men dochter.
Dooie klauwe papa. 
Is dit de trein naar Holland Spoor?
ik heb me toch een kouwe klauwen.

Me dit en me dat.
Waar zijn we? Delft. Ow, Delft. Ik heb vijfentwintig jaar in Delft gewoond. Nu woon ik acht jaar in Den Haag. Maar in Delft ben ik opgegroeid.
Stopt die trein nu bij Holland Spoor, of bij dat andere station, dat ene?

Ging ik zwartrijduh in de tram, kost me ook geld. Hier heb me dochter gewoond. Maar die woont nu in Zoetermeer.

Me telefoon ligt thuis.
Me telefoon ligt thuis.
Telefoon. Thuis.
Maar ik mot me dochter belluh zo. Ik heb zelluf vier kinderen en zeven kleinkinderen.
en ik houw van ze alle zeven.
Ik mot mijn medicijnen niet vergetuh.

Waar stopt hij nu? We zitten nog niet in Den Haag he?
Dit komt me bekend voor.
Kouwe klauwen  joh."

De omroeper roept het volgende station om: Den Haag Holland Spoor.

"Ah, daar mot ik zijn. Holland Spoor. Dat is mijn station."

Als hij opstaat en zijn spullen verzamelt, kijk ik voorzichtig achter me om te zien welke gedaante bij de stem hoort. Hij is eind vijftig, grijs lang haar en een kegel die me moeiteloos tegemoet komt. Terwijl hij al pratend naar de uitgang loopt zie ik dat de mensen om hem heen elkaar aankijken en bijna verontschuldigend naar elkaar lachen. Als onvrijwillig publiek van deze scene uit zijn leven, verzuchten we allemaal dat het niet niks is.
Ik hoop dat hij snel warm wordt.

dinsdag 26 maart 2013

Tijd

Tijd is een vreemd concept wanneer je op reis bent. Je vergeet op een bepaald moment welke dag en datum het is en voel je je los van de rest van de wereld die wordt bepaald door een steeds maar voort tikkende klok.

Aan de andere kant is de tijd het enige concept dat je reis bepaalt. In de ochtend moet je voor een bepaald tijdstip uitchecken. Dan kost het tijd om op de volgende bestemming te komen, die altijd verschilt van de tijd die je er in werkelijkheid voor neemt, pauzes inbegrepen. Het is altijd wel tijd voor koffie, lunch, een ijsje of een plaspauze. En dan wil je een beetje op tijd op de volgende plek aankomen, om te kunnen avondeten en nog wat aan je avond te hebben. En de volgende dag begint het weer allemaal opnieuw.

En dan is er het tijdsverschil. Elf jaar geleden moest ik steeds berekenen of het de juiste tijd was om te bellen, nu moet ik telkens als ik mail eraan denken dat ik pas veel later antwoord zal krijgen (elf jaar geleden functioneerde mail nog als een brief, in plaats van een gesprek zoals nu).
Nu is het alleen maar erger geworden. Dankzij wifi kan je overal online en ben je altijd bereikbaar. Ware het niet dat Nieuw Zeelands internet nog via Australië komt, en daardoor zo duur is dat je nog steeds per tijdslimit je inlogcode moet aanschaffen.

Wanneer je dus na een heerlijk relaxte dag - die eigenlijk bepaald werd door de tijd - nog even contact wil met het thuisfront, waarbij je rekening moet houden met dat tijdsverschil, dan ben je ook nog afhankelijk van de 30, 60 of 120 minuten die je voor veel geld hebt bemachtigd. Dan moet het thuisfront binnen die tijd ook nog eens aanwezig zijn, en de tijd hebben om contact te leggen.

Het is niet eenvoudig om een wereldburger te zijn.

zondag 3 maart 2013

Roadkill


Autorijden in het buitenland is altijd een avontuur. Andere regels, andere wegen, andere gevaren. In de VS schampte ik afgelopen zomer hardhandig een langsspringend hert en vernielde daarmee de auto op een dusdanige wijze dat een arme jongen vier uur moest rijden (heen) om een nieuwe wagen te brengen. Het hert is naar alle waarschijnlijkheid met de schrik vrij gekomen want het was in geen velden of wegen te bekennen.

Aan de andere kant van de wereld, waar links rijden steeds weer een hele ervaring is, zijn de wegen bezaaid met beestjes die in verschillende hoogtes met het asfalt verenigd zijn. Naast het feit dat ze allerlei vormen aannemen in hun stervensproces - van lang en gerekt tot klein en rond - zijn het ook vreselijk veel verschillende soorten: witte vlinders, ronde vogeltjes, uitgerekte muizen, opossums of andersoortige knaagdieren.

Als rechtgeaarde vegetariër rijd ik sowieso al met lichte vrees voor dit soort ongelukken rond, ik onthoud mij het liefst van iedere vorm van dierenleed. Nu is het aantal debiele vogels dat de afgelopen dagen ter nauwernood aan de destructieve effecten van mijn autobanden is ontsnapt, echter enorm en soms vraagt de situatie erom het risico te nemen een vogelleven te offeren voor dat van een mens - dat moge duidelijk zijn.

Maar steeds als ik weer een hoopje beest zie liggen, en ik bijna achteloos langs (of over) rechtopstaande pootjes, staarten of vleugels rijd, vraag ik me af hoe het kan dat 'de mens' zo superieur is. Wat maakt ons nou beter, en waarom kijken we op noch om als we daarmee geconfronteerd worden? We reizen af naar de andere kant van de wereld omdat daar de natuur nog zo puur is, doen vervolgens ons uiterste best om alleen maar foto's te maken waar ieder menselijk ingrijpen onzichtbaar is ("jammer van de lantaarnpaal", "he, hadden ze die heg nu niet even iets verder kunnen zetten?", "bah, die stomme boerderij verpest het landschap"), maar halen onze schouders op als we langs honderden voorbije leventjes rijden. Natuurlijk realiseer ik me dat op alle ellende in de wereld, de Nieuw Zeelandse roadkill laag zal scoren - ze hebben in ieder geval een geweldig leven gehad voordat ze onder een auto bleven hangen. Maar toch, maar toch. Toch vraag ik het me iedere keer weer af.

maandag 27 augustus 2012

Trein 2

Op de tweede dag ontbijt ik in de coupe met uitkijk ramen. Tegenover me zit een man die eerst een paar keer kijkt maar dan uiteindelijk een gesprek aan knoopt. Als ik vertel dat ik uit Amsterdam kom, knikt hij. "Jullie spreken allemaal goed Engels, in Denemarken, toch?". Ik knik mee.
We praten over de omgeving, waar hij is opgegroeid. Dan voegt de blogger van gisteren zich bij ons. Hij neemt in het wilde weg foto's van alles dat voorbij komt. Ik begin met hem mee te denken, en wijs hem op mogelijke fotomomentjes.
Wanneer een jongen uit New York met veganistische bakjes eten bij ons komt zitten, gaat het gesprek al snel over wat gezond is en wat niet. De raw-aanhanger eet niets dat warmer is geweest dan 40 graden. De man uit Denver blijft erbij dat we carnivoren zijn. "Koeien eten gras, en wij eten koeien. Why noot cut out thé middel man," zegt de Raw aanhanger. Ik houd mijn mond.
Dan gaat het gesprek over auto's en vinden de mannen elkaar weer in het midden. De carnivoor laat ons foto's zien van zijn zeven auto's. Flitsende kleuren, veel carbio's en natuurlijk allemaal van Amerikaanse makelij. Op een van zijn foto's staat een echte Amerikaanse pick-up truck, van onderaf gefotografeerd, met de Stars and Stripes wapperend erboven. "A real American car, the American flag, taken on the fouth of July," zegt hij glimmend van trots. Ik vraag hem of hij een patriot is. "Very," zegt hij. De Raw jongen en de blogger roepen bij elke foto: "wauw, that's so cool" en "wow, that is sick," De man kijkt verstoord op. "Is dat iets ergs?" vraagt hij. De jongens haasten zich te zeggen dat het het tegendeel is, het is juist vet.

In een van de korte pauzes sta ik buiten op het perron wanneer Ben me aanspreekt. Ben komt tot mijn middel, heeft een verwrongen gezicht en draagt kleren die doen denken aan The Little House on thé Prairie. Hij komt uit Pensilvania, is Amish, en reist voor het eerst alleen naar het westen. Normaal reist hij samen met zijn vrouw, maar die wilde thuis blijven omdat de tuin deze dagen geoogst moet worden. Hij wilde al op weg naar Chicago met me praten, want hij praat graag met toeristen. Zelf heeft hij een Bed and Breakfast opgezet, om de toeristen die het Amish gebied bezoeken te helpen. Hij vertelt over zijn familie - hij heeft zes kinderen - en over hun leefstijl. "Ik kom graag mensen tegen met andere levensstijlen, want zo leer ik altijd weer wat," zegt hij. Op mijn vraag of het moeilijk is om vast te houden aan hun leefstijl met alle oprukkende technieken en mogelijkheden antwoordt hij dat het wel lekker rustig is. "Ik zie iedereen in de trein met elektrische apparatuur in de weer, maar ik vind het wel lekker om gewoon naar buiten te kijken en met mensen te praten."
Wanneer ik later zit te typen op mijn laptop en Ben langs me loopt klopt hij vriendelijk op mijn schouder.

zondag 26 augustus 2012

Trein

De jongen die in eerste instantie zijn tassen op de stoelen achter ons had neergezet, begint tegen ons te praten en zegt dat hij naast een leuk meisje wil zitten. "JIj bent leuk, maar volgens mij hoor je bij hem," zegt hij tegen me en loopt weg, om na tien minuten terug te komen, zijn tassen te verplaatsen en in de stoelen naast ons te ploffen. Dan gaat hij bellen. Met twee telefoons. Tegelijk. Hij is op weg naar Oakland, om een cursus te doen. Zijn naam is Terrence.

In de uitkijkwagon, waar grote ramen in zitten, en bankjes om te relaxen, zit Randy, met één zonnebril op zijn neus, en één op zijn voorhoofd. Hij draagt een zwart shirt waar in glitterletters I love Soho op staat. Hij praat tegen iedereen die in zijn buurt komt over zijn avontuur in een hotel, waar hij een gratis kamer kreeg met gratis ontbijt toe, over zijn werk als vrachtwagenchauffeur, over zijn vriendin die hem net verlaten heeft terwijl hij zo van haar houdt. Uit een papieren zak trekt hij een koude varkenskarbonade tevoorschijn waar hij aan begint te knagen terwijl hij zich in het gesprek naast hem mengt.

Tegenover me zit een jongen met halflang haar, die woest op zijn laptop zit te tikken, terwijl hij elke drie minuten naar zijn camera grijpt om foto's te maken van het landschap buiten. De trein gaat te snel, zijn foto's zijn bewogen. Hij grijpt naar zijn haar en schud zijn hoofd. Dan duikt hij weer in zijn computer en werkt aan zijn blog.

Een tafeltje verder zit Alex, die net zijn shirt opstroopt om de dj die ook naar Burning Man gaat, en Randy, zijn littekens van zijn Vietnam wonden te tonen. Ze hebben het over de moord op Kennedy, Michelle Obama, de huidige politiek en de vriendjespolitiek die na Bush sr uiteindelijk W. aan de macht heeft gekregen. Terrence mengt zich in het gesprek en vertelt over zijn verblijf in Irak.

Naast me zakt een braaf stel van middelbare leeftijd op een bankje. Ze kijken verwonderd naar het gezelschap voor ons en praten zachtjes met elkaar. Dan staat Randy op en begint met hen te praten. Wanneer hij plotseling luid begint te zingen, staan ze snel op en knikken vriendelijk naar me terwijl ze weg lopen.

We zijn een uur onderweg. Nog tweeënvijftig te gaan.

donderdag 1 maart 2012

Jubileum

Op 31 december 2001 at ik voor de laatste keer vlees tijdens een barbecue in de Malborough Sounds, in Nieuw Zeeland. Ik vierde met een groepje wildvreemden oud en nieuw en besloot dat ik vanaf nu geen deel meer wilde zijn van een industrie die dieren mishandelt en die mensen steeds ongezonder maakt.

Ik had net Fast Food Nation, gelezen, een boek van Erik Schlosser over de Amerikaanse fast food industrie, waarin de verschillende onderdelen van die industrie (aardappelen, vlees, maïs, kindermarketing) onder de loep worden genomen. Tijdens mijn acht maanden lange reis was ik me al langzaam gaan realiseren dat de wereld lang niet zo mooi was als ik dacht, maar de feiten die ik in Fast Food Nation las vond ik weerzinwekkend.

Naast het feit dat het eten van fast food natuurlijk niet gezond is, en er heel veel troep in zit om het lekker te laten smaken, is de industrie achter het eten desastreus. Zo zijn alle kleine aardappelboeren uitgekocht door één groot mega bedrijf dat nu de hele aardappelindustrie in Amerika in handen heeft. In de maïs wereld is het al niet anders. Die grote grote bedrijven hebben we natuurlijk ook in Europa, sterker nog, het Franse Nestlé en Nederlands-Engelse Unilever hebben de meerderheid van de markt in handen.
Als je aan fast food denkt, denk je natuurlijk vooral aan hamburgers. Die worden gemaakt van koeien die geen of weinig bewegingsruimte hebben, die gerecycled voedsel krijgen en die, in de VS, vaak de e-coli bacterie met zich meedragen. De industrie weigert om alle koeien eenmalig in te enten, omdat de kosten van mogelijke rechtszaken van mensen die er ziek van zijn geworden uiteindelijk lager zijn. Deze koeien worden op een massale wijze in slachthuizen gedood, waarbij de tijd die berekend is voor het verwerken van één koe zo kort is, dat sommige dieren niet goed worden gedood, en vaak nog half levend worden opengesneden, om door te schuiven naar de volgende stap in het proces.



En niet alleen de beesten worden vreselijk behandeld. De mensen die in de slachthuizen werken (in Amerika veelal illegalen) riskeren hun leven met het schoonmaken van gevaarlijke machines, met het werken in ongezonde omstandigheden en door de lange uren waardoor ze moe en onoplettend worden. De medewerkers van McDonalds restaurants mogen zich aansluiten bij de vakbond. Maar als er teveel medewerkers van één filiaal bij de vakbond zitten, sluit McDonalds de locatie, ontslaat het hele personeel en bouwt honderd meter verder een nieuw restaurant. Waar natuurlijk alleen mensen worden aangenomen die niet bij de vakbond zitten.

Ik weet dat je door geen vlees te eten de wereld niet kunt redden. En ik weet dat ik ook, door de keuzes die ik maak in de supermarkt en in restaurants, een onderdeel ben van een grote machine die langzaam alles stuk maakt. Maar ik ben ervan overtuigd dat bewustzijn tot verandering kan leiden, en dat mijn besluit, nu tien jaar geleden, ook een kleine bijdrage levert.
Er zijn teveel feiten en verhalen die aantonen hoe de fast food industrie in elkaar steekt. In 2006 maakte Schlosser met Richard Linklater de gelijknamige film en in 2008 volgden Food Inc. Ga ze zien en realiseer je op zijn minst wát je eet, als je een Big Mac bestelt.

woensdag 14 december 2011

Gezellig

Terwijl ik in de rij langzaam vooruit schuifelde, langs kitschig gedecoreerde kraampjes, etende mensen en verklede pelgrims die luid op triangels en tamboerijnen sloegen, vroeg ik me af waarom dit 'gezellig' was? Mensen wierpen een licht ongeïnteresseerde blik op de uitgestalde koopwaar: kralenkettingen, neusfluiten, dure olijfolie, van die vreselijke kristallen dierenbeeldjes en de laatste workshop resultaten van de lokale buurthuizen. Eigenlijk waren ze vooral op weg van het ene eetkraampje naar het andere. Na de bokworst kwam de mini kaasfondue, dan de gemarineerde champignons, de aardappelkoekjes en vervolgens de zoete crêpes, wafels en ijsjes met slagroom. De stalletjes daartussen boden een momentje van rust om de zojuist verkregen smaaksensatie nog even na te proeven, alvorens zich in een nieuw culinair avontuur te storten.

De kerstmarkt.

In Limburg groeide ik op met dit fenomeen, zij het in een afgezwakte vorm van de Duitse variant. Misschien verklaart dat mijn antipathie tegen dit jaarlijkse ritueel. Misschien is het de herinnering aan kerst, aan de gedwongen gezelligheid die in mijn geval drie dagen per jaar werd afgedwongen - of waar althans een poging toe werd gedaan - die maakt dat mijn haren overeind gaan staan bij de gedachte alleen al. Er zijn vast heel veel psychologische redenen te verzinnen.


Maar eerlijk gezegd denk ik toch dat het vooral te maken heeft met de overdaad, het gedachteloos consumeren, en de goedkope marketing waarmee hordes mensen zo gemakkelijk zijn over te halen om als schaapjes achter elkaar aan te lopen. Wat nou crisis, wat nou zware tijden, wat nou? Hier, op een landgoed in Duitsland, betalen duizenden mensen vijf euro om geld uit te mogen geven aan vet eten en onbruikbare spullen.


Hoewel ik mijn best doe om dit niet neerbuigend te laten klinken, en ik de bezoekers niet wil veroordelen - want wat is er mis met lekker eten en spulletjes kopen of kijken, en hee, je bent ook nog even buiten - realiseer ik me dat ik jammerlijk faal. Want ja, ik begrijp het niet zo goed. Ik begrijp niet dat je je laat leiden door impulsinkopen, ik begrijp niet dat het leuk is om in een rij te moeten wachten tot je je dure worst kan kopen, terwijl er buiten het terrein een goedkopere - en vast lekkerdere - worst te krijgen is. Ik snap niet dat niet iedereen in de rij steeds geïrriteerder word door het langzame tempo, de mensen die achter je je schoenen van je hiel trapten, de mosterd die plotseling aan je jas zit omdat de man die je zojuist probeerde in te halen zijn handen niet had schoongeveegd.

En wat me vooral opviel: weinig mensen keken er blij. Er straalde weinig vrolijkheid van af. Ja, de verkopers, die straalden. En ze gooiden er nog een schepje bovenop als ze zagen dat zich weer een klant aandiende. En mijn grote groep vrienden, waarvan er elf van de twintig nog nooit op een kerstmarkt waren geweest. Die waren ook vrolijk. Die dansten in de glühwein tent - als enigen - en die genoten van alle gekke etenswaren en snuisterijen. Maar die waren dan ook nog nooit op een kerstmarkt in Duitsland geweest.

maandag 3 oktober 2011

Protest

Ik fiets door Berlijn. Het is warm, de zon schijnt fel, en ik ben al uren op zoek naar de perfecte plek om koffie te drinken en te lezen. Ik fiets langs enorme gebouwen die herinneringen met zich meedragen die ik niet zelf heb beleefd. De Reichstag, de Brandenburgertor. Heel Oost Berlijn. Ik stop bij Topographie des Terrors, een laaggelegen gang, waar ooit de hoofdkwartieren van o.a. de SS en de geheime Staatspolitie stonden en waar nu de restanten van de muur nog als stille getuigen ons laten herinneren. Een paar straten verderop dwaal ik door het doolhof van pilaren van het Holocaust Monument, waar soms stilte lijkt te heersen, tussen de zware betonnen blokken. De dagboeken en brieven die beneden te lezen zijn roepen bekende beelden op die nog steeds intrigerend, misselijkmakend, verontrustend zijn.

Wanneer ik later op een terras in de zon zit, verdwijn ik in de wrange wereld van José Saramago, die in zijn boek De Stad der Blinden beschrijft hoe na een onverklaarbare blindheidsepedimie in eerste instantie de regering, en vervolgens de massa reageert. De nare, vernederende en heftige wereld die hij beschrijft doen de zon vergeten. De angst die regeert en die onmenselijk gedrag zonder problemen accepteert, de macht die zo snel mogelijk wordt misbruikt door een ieder die haar in handen heeft, de onverschilligheid en het keiharde geweld dat mensen zonder problemen toepassen wanneer het er blijkbaar echt op aan komt, het is allemaal weinig hoopgevend. De weinige pogingen tot mededogen kunnen niet op tegen de narigheid die door de massa niet alleen wordt geaccepteerd, maar ook toegepast. Het is ieder voor zich.

Als ik even later online ga zie ik de beelden van New York. Massa's mensen die hun stem laten horen, opkomen tegen systemen die groter zijn dan zij. Terwijl de media nog zwijgt zie ik hoe politieagenten met stokken inslaan op omstanders, hoe mensen over de grond gesleurd worden, hoe de massa met één stem spreekt. Ik ga op zoek naar berichtgeving, maar stuit steeds weer op persoonlijke video's en verhalen, die via moderne media hun weg naar de rest van de wereld zoeken.

Achteraf is het altijd makkelijk praten, over bijvoorbeeld wie de slechterik is en wie de held. Zo krijgen we het ook immers voorgeschoteld in films. Ik vraag me af hoe tijdens de tweede wereldoorlog het verzet werd gezien door de massa. Als helden? Of als gekken, die niet wisten waar ze mee bezig waren? Ik denk aan de vrouw die tegen het machtsmisbruik opkomt in De stad der blinden: de enige die nog kan zien wanneer de rest al blind is. Waar de protesten in het Midden Oosten werden gezien als een nieuwe, frisse en hoopgevende beweging, wordt vooralsnog hier nergens over gesproken. Eerst moeten duizenden mensen worden gearresteerd, geslagen en vernederd worden voordat het verhaal wordt opgepikt. Pas als meer mensen de straat op gaan, als wereldwijd mensen hun stem verheffen, berichten de media. Ik zou willen dat ik alvast kon terugkijken op deze tijd.

zondag 24 oktober 2010

Brand

Tijdens de autorit via de lange weg die zich door het landschap baande, voelden we de spanning stijgen. Toen bij aankomst een regenbui losbrak die ons alle zicht op de omgeving ontnam, gingen we er vanuit dat we dichtbij waren. Maar toen de schemering eenmaal had ingezet en de donkere wolken waren weggetrokken, zagen we Hem opeens in de verte staan. Het eerste dat we na aankomst dan ook deden was te voet, bijna op een drafje, naar Hem toe lopen. Het leek bijna onwerkelijk, ongelofelijk, dat we er eindelijk waren. Al die voorbereiding, al dat regelwerk. Al die dingen stonden in het teken van dit moment: onderaan De Man staan, om je heen kijken en je realiseren dat het allemaal écht bestaat.

Alles wat met Burning Man te maken heeft wordt geflankeerd door Zijn afbeelding. Stickers, affiches, websites, posters, maar ook briefjes in etalages in San Fransisco waar Burning Man kleding of andere materialen te koop zijn: overal is De Man. Nog voordat je de playa hebt bereikt staat je leven al onder invloed van De Man. Het Icoon. Het Symbool.

Tijdens het festival is Hij letterlijk het centrum: alle wegen leiden naar De Man. Ooit, vijfentwintig jaar geleden, was Hij een lappenpop, van twee meter groot. Nu staat Hij levensgroot op een toren van vier etages en torent Hij boven alles uit. Overdag kan je Hem zien staan: rotsvast, wachtend op wat komen gaat. 's Nachts feest Hij mee, met gekleurde led-verlichting die Zijn omtrek tonen. Wanneer je je ook maar een beetje verloren voelt in de wir war van straten, kampen en verlichte Art Cars, zoek je De Man en je wereld valt weer op zijn plek.



De hele week wenst iedereen je 'a great burn' toe. Wanneer je vertelt dat het je eerste burn wordt, gedraagt iedereen zich alsof je binnenkort ingewijd zult worden in een groot geheim. Alsof je ouders je net verteld hebben dat Sinterklaas niet bestaat en je dat geheim moet houden voor je jongere broertje. Op zaterdag, de dag van de burn, voel je de spanning toenemen. Wanneer het donker is voel en zie je hoe alles en iedereen zich langzaam maar zeker naar de playa begeeft. Alle energie lijkt maar één kant op te kunnen gaan.

We hadden het geluk om redelijk vooraan te zitten, op de grond in het stof, op de derde rij vanaf de lege cirkel die rondom De Man werd vrijgehouden. Achter ons verzamelden zich steeds meer mensen. Achter de tien zittende rijen vormden het dubbele aantal staande rijen een nieuwe cirkel. Daarachter kwamen de Art Cars, die ook allemaal gevuld waren met toeschouwers.

In de cirkel begon de vuurshow, met poi dansers, een vuurspuwende draak, vuurspuwers, en alles wat met vlammen te maken had. Daarna begon een vijftien minuten durend vuurwerk waar geen einde aan leek te komen. Iedere apotheose van niet te bevatten kleuren werd door een nog grotere, indrukwekkendere, versie overstemd.
Uiteindelijk vatte de toren vlam, al snel daarna De Man zelf. Gedurende de week had Hij met Zijn armen ferm langs Zijn lijf de stofstormen getrotseerd. Nu waren Zijn armen ten hemel geheven en leek Hij zich over te geven aan het stof en het vuur. Ik had medelijden met Hem. Tegelijkertijd laaide de spanning met de vlammen op, en wachtte iedereen op het moment dat de stellage met De Man in elkaar zou stortten. Dat gebeurde na zo'n dertig minuten. De ontlading die volgde leidde tot nóg heftigere feesten dan eerder in de week, nóg meer licht, en mensen die urenlang rondom het vuur bleven dansen.

Die avond en de dag erna is het festival zichzelf niet meer. Iedereen lijkt doelloos rond te fietsen, zoekend naar een richting, een doel. 's Nachts raakte ik herhaaldelijk verdwaald, omdat het baken weg was. Veel mensen verlieten na de burn al het terrein, anderen bleven net als wij voor de Temple Burn op zondag. Het voelde allemaal leger dan daarvoor. Hij was niet meer. Pas over 355 dagen zal Hij weer verschijnen.

donderdag 14 oktober 2010

Hippie

Het is een van de weinige dingen waarbij geen tijd vermeld staat in het programma. Er stonden op vrijdag wel allerlei gerelateerde evenementen vermeld, van bodypainten, tot ontspannende massages, van wodka op het middaguur tot het uitzoeken van passende kostuums. Critical Tits hoort bij Burning Man.

Thuis had ik, in pogingen uit te leggen wat het festival nou precies inhield, ook steeds weer dit voorbeeld genoemd. Een fietstocht, geïnspireerd op de Critical Mass bijeenkomsten die al sinds de jaren zeventig over de gehele wereld plaatsvinden, maar dan op zijn Burning Mans. Natuurlijk zou ik meedoen, je gaat naar Burning Man of niet.

Eenmaal daar nam de noodzaak om mee te fietsen af. Als je de hele dag half of geheel naakt kan rondlopen, als je wil, waarom zou je het dan precies op dat ene moment doen? Gedurende de hele week zag ik overal blote borsten, en hier en daar naakte lijven, die al fietsend, of wachtend in de rij voor koffie, uiteindelijk niet echt opvielen. Toch wilde ik het niet aan me voorbij laten gaan. Ik zou eerst naar een bodypaint workshop gaan, en me dan voegen in de rij van fietsende vrouwen.

Door een licht oponthoud bij de Human Carcass Wash liep mijn tijdschema, voor zover ik dat probeerde te hanteren, een lichte vertraging op. Terwijl ik fris en schoon maar wel gekleed richting de Esplanada fietste, zag ik de stoet al aankomen. Shit. Te laat voor de bodypaint. Wat te doen? ik stond als toeschouwer langs de weg terwijl de stoet aan me voorbij trok. Was dit het? Was ik te laat? Borsten met bloemen, boompjes, vlinders en geometrische figuren erop geschilderd, kwamen voorbij. Vrolijke vrouwen, die joelden, zwaaiden, en met elkaar kletsten. Ik wilde niet toekijken! Dus liet ik mijn rugzak van mijn schouders zakken, trok mijn toch al minuscule bikinitopje uit, sjorde mijn rugzak weer op zijn plek, en stuurde richting de stoet.

Zonder bodypaint voelde ik me naakter dan naakt. Maar toen keek ik om me heen. Grote borsten, kleine borsten, hangtieten, geopereerde borsten, beschilderd, naakt, ze waren er allemaal. Langs de route, die ook deels door de stad ging, stonden andere vrouwen en mannen te kijken, te applaudisseren en brachten met zogenaamde 'mystifiers', waterflessen waarmee ze water sproeiden (een ander bekend fenomeen) verkoeling. Mannen riepen Thank you! en You go girls!

We draaiden de playa op en fietsten naar een plek ver weg van de stad. Daar stonden grote mannen die ons wezen waar we onze fietsen konden neerzetten en die borsten-kijkers op een afstand hielden. Daarna liepen we naar de haag van vrouwen die zich inmiddels gevormd had. aan het begin werd zachtjes gezongen, wanneer je er doorheen liep hoorde je overal stemmen. Ietsje verderop gaf iedereen high fives. Ik sloot me aan en verwelkomde de volgende vrouwen die in een eindeloze rij bleven komen.

Terwijl om ons heen de winden steeds meer opspeelden en er steeds meer stofstormpjes ontstonden, dansten wij op een speciaal daarvoor aangelegde dansvloer. Na afloop rookte ik met een vriendin uit New York, die ik daar letterlijk tegen het lijf liep, al liggend in een daartoe bestemd kunstwerk wat wiet. Dichter bij de jaren zestig zou ik niet komen.

zaterdag 9 oktober 2010

Geven

Burning Man hanteert een aantal principes, die de leidraad voor het festival vormen. Zo is iedereen welkom, mag je geen sporen achterlaten, moet je zelfvoorzienend zijn, en is het festival gewijd aan het geven. "Burning Man is devoted to acts of gift giving. The value of a gift is unconditional. Gifting does not contemplate a return or an exchange for something of equal value." Daarnaast wordt van iedereen verwacht dat hij of zij deelneemt aan het festival, op wat voor manier dan ook.

In de voorbereiding leidden al deze principes tot een koortsige zoektocht naar mogelijke bijdragen, waarbij de verschillende opties ontelbaar en vooral vaak moeilijk te realiseren waren. Uiteindelijk liet ik, mede belemmerd door de afwezigheid van enig tijds- of plaatsbesef, totaal verstek gaan toen mijn mede Burners de uiteindelijke ludieke acties gingen uitvoeren. In de tussentijd had ik wel al een afspraak met mezelf gemaakt dat ik vooral veel zou deelnemen, aan wat dan ook. Dus schreef ik boodschappen in boeken, op veren en op koelkasten, probeerde ik me te laten leiden door de gongmeditatie, waste ik zo'n dertig verschillende mensen, belandde ik in een cinnamon-roll knuffel met tien anderen en deed ik een poging onze buurman te helpen met het bouwen van dansblokken bij zijn dome. Gelukkig kreeg ik op de laatste dag de mogelijkheid om als vrijwilliger in het café te werken, waardoor ik ook nog écht nuttig bijdroeg.

Natuurlijk genoot ik ook van de giften van anderen. Op feestjes kon je met je eigen beker (leave no trace) naar de bar lopen, een drankje bestellen, en zonder ook maar iets te geven weer gaan dansen. Ik kreeg fruit uit blik van vriendelijke Nederlanders, mocht van een geweldig uitzicht genieten in een privé kamp, reed met de mooiste Art Cars mee, maakte mijn eigen Burning Man hanger en laafde me aan alle prachtige kunst die overal te zien en te beleven was.

Belangrijker is echter dat ik het mee nam, het idee van geven, dat verder zou moeten gaan dan de playa van Black Rock City. Dat je overal kan toepassen, en waardoor de wereld hopelijk een klein beetje mooier wordt. Het is zo gemakkelijk om te geven. Je kunt, zonder dat het je een cent kost, complimenten geven, naar iemand lachen in de trein, iemand de weg wijzen, of iemand voor laten gaan die haast heeft, of nog simpeler: je niet opwinden als iemand je de weg afsnijdt, geduldig blijven als iemand irritant doet. Zonder dat je je hele salaris weggeeft aan anderen, of je huisraad op straat zet voor zwervers, kan je ook met kleine beetjes geven: stuur eens een echt kaartje met een postzegel, trakteer een wildvreemde op koffie, koop de daklozenkrant, gooi de spullen die je niet meer gebruikt niet weg, maar geef ze aan tweedehands winkels.

Laat ik voorop stellen dat ik niet de moraalridder wil uithangen. Iedereen doet natuurlijk al zeker de helft van al deze dingen. Steeds weer realiseer ik me echter dat ikzelf al te vaak op een of andere manier toch iets terug verlang: waardering, respect, dank, de tweede kop koffie, net zo'n leuke kaart in mijn brievenbus. Het echte geven, zo leerde ik op Burning Man, betekent niets verwachten, onvoorwaardelijk.

donderdag 30 september 2010

Stof

De eerste dagen was het heerlijk weer. Na de uitzonderlijke regenbui van de eerste dag scheen de zon lang niet zo hard als verwacht, en hoewel het 's nachts wel koud was, hadden we genoeg voorbereidingen getroffen om lekker te kunnen slapen. Grappend sloegen we elkaar op de schouder, al die mythische verhalen over de zware weersomstandigheden, de vermoeiende zandstormen, de uitputtende droogte; het waren de verhalen van zwakkelingen, die niet tegen een stootje konden. Waar hadden ze het over? Het was heerlijk weer, de zon scheen, zo nu en dan verkoelde een briesje wind onze warme lijven.

Totdat de wind kwam.

In eerste instantie begon het met kleine wervelstormpjes, die in de verte het stof lieten rond dansen over de vlakte. Een prachtig gezicht, dat ons blij maakte, omdat het in werkelijkheid nog mooier was dan op de foto's. Op de avond dat ik, naar belofte, in mijn mooie witte jurk, in een sneltrein tempo naar het einde van de playa fietste om op tijd bij de brand van Megatropolis te zijn, was het warm. Het vuur was prachtig, het publiek joelde. Nadat de houten constructie in elkaar was gestort en iedereen uitgekeken was op de smeulende hoop voor ons, maakten we aanstalten om vrienden te bezoeken aan de andere kant van de playa. De warmte van de dag had blijkbaar een of andere meteorologische uitwerking gehad, waardoor we al fietsend van het ene op het andere moment in een stofstorm belandden. Natuurlijk hadden we de wind wel gevoeld, maar dit was anders. Dit was ook geen klein stofstormpje meer, dat dansend over de playa ging, dit was een witte vage mist die met enorme snelheid om je oren suisde. We probeerden te fietsen, maar zonder zicht op voertuigen en licht voelden we ons totaal verdwaald. Lopend probeerden we ons te oriënteren op het geluid om ons heen. De vuurspuwers van Ein Hammer in de verte op links, de dreunende bas van Nexus op rechts. Toch? Wanneer de wind even geen stof verplaatste en we in de verte de stad weer konden zien, bleek steeds dat we weer teveel de verkeerde kant op waren gegaan.

Binnen de stad was er meer bescherming, maar ook daar wist het stof ons te vinden. We fietsten met dichtgeknepen ogen en naar adem happend tussen de vlagen door. De rust die even later over ons heen viel in hun camper voelde als een warme deken in een koude nacht. Onze ogen konden weer open, alhoewel onze grijze wimpers het zicht nog steeds licht belemmerden, en we konden weer gewoon adem halen, alhoewel dat voortdurend leidde tot heftige hoestbuien. We waren onherkenbaar grijs.

De volgende dagen bleef de wind regeren in de stad. Hij vermoeide en hij putte uit. De voortdurende waas van grijs stof in combinatie met het felle zonlicht creëerde het gevoel van een droom, waarin alles wat je zag bedrog was. In mijn eentje op de fiets over de playa voelde ik me herhaaldelijk opgesloten in mijn eigen kleine universum, dat bestond uit stof, licht en warmte, mijn adem en mijn hartslag. Eens in de zoveel tijd zweefde een vreemd uitziende auto langs, of ving ik flarden van een gesprek op dat blijkbaar in mijn buurt werd gevoerd. De wind en het stof waren zwaar, vermoeiend en uitputtend.
Eindelijk begrepen we de mythe.

dinsdag 28 september 2010

Human Carcass Wash

Dat ik me meer dan een week niet zou kunnen douchen vond ik geen probleem. Ik voorzag dat hulpmiddelen als babydoekjes, deo en de bekende 'zeep zonder water' de schade voldoende zouden kunnen beperken. Op mijn reizen in Afrika en Azië had ik ook al soortgelijke situaties meegemaakt, en ook daar had me steeds prima gered. Daarnaast was ik natuurlijk niet de enige die een nieuwe vorm van hygiëne moest uitvinden, de andere bezoekers kampten voor het overgrote deel met hetzelfde probleem. De gezamenlijke opbouw van viezigheid en geurtjes zou waarschijnlijk ongemerkt plaatsvinden.
Mijn haar baarde me meer zorgen. Dat heeft van nature nou niet de meest flexibele, dansende, altijd goed in model zittende eigenschappen en vraagt nogal wat aandacht. Na enkele dagen rondfietsen in warmte en stof, en nachten verborgen worden onder diverse hoofddeksels die varieerden van mutsen tot kapjes, plakte het dan als een prachtig vóór-de-behandeling-voorbeeld van een shampoo reclame op mijn hoofd. Tijd om een kamp te zoeken waar ik mijn haar zou kunnen wassen.

Aangezien de aanwezige kappers urenlange rijen voor hun tent hadden staan en ik het shampoo-kamp, dat toch echt op 8:30 en Edinburgh zou moeten zitten, niet kon vinden, besloot ik de Human Carcass Wash te proberen.
Bij aankomst stond al een rij van naakte mensen klaar om te beginnen. In de tijd die ik nodig had om me te ontdoen van mijn kleren, wat zeker in deze situatie redelijk snel ging, was de rij uitgegroeid tot een man of vijftig.

Terwijl ik luisterde naar de uitleg van de organisatie, niet wetende waar ik mijn handen moest laten, en wachtte tot het mijn beurt was, maakte ik grapjes met de mensen om me heen. Mensen die ik zo dadelijk moest gaan wassen. De kleine man naast me vertelde me dat hij ieder jaar minstens één keer de Carcass Wash deed, omdat het zo fijn was heel even schoon te zijn en voor de gezelligheid. Een Iers uitziende man naast me keek me aan, glimlachte en vroeg toen: 'Are you from Amsterdam?" Lichtelijk verward antwoordde ik ja. Hoe kon hij dat nou in godsnaam zien? 'Are you into film?' was zijn volgende vraag. Ik knikte weer. Nadat ik mijn spraakvermogen weer hervonden had en met hem de discussie aan kon gaan hoe en wat en waarom, concludeerden we uiteindelijk dat we acht jaar geleden op het IDFA geruime tijd met elkaar gesproken hadden. De precieze setting kon ik me niet meer herinneren. "I can help you wash your hair later,' bood hij aan, me weer terug brengend in het moment. Ik realiseerde me dat er een grote kans was dat ik deze aardige, doch onbekende bekende wellicht dadelijk zou moeten wassen, of dat hij mij zou wassen. We werden echter ingedeeld in verschillende waslijnen, zodat ik uiteindelijk moest samenwerken met de kleine man voor me, een goed behaarde vrouw van in de veertig en een dunne oudere man die vooral goed in het reinigen van de bilnaad bleek te zijn. Hem heb ik voor laten gaan toen we aan de beurt waren om gewassen te worden.

Na afloop liep ik door naar een kort rijtje mensen die elkaars haar aan het wassen waren. Ik mocht direct plaats nemen, en werd door vier handen grondig schoongemaakt. Heerlijk fris liep ik even later weg, genietend van de koelte en mijn natte haar. Twee uur later begon de ergste stofstorm van de week, waarna het dagen lang geregeld stormde en een onkambare kluwen stof en haar mijn hoofd langzaam overnam. Maar het was niet vet.

dinsdag 21 september 2010

Activiteiten kalender

Iedere ochtend schrok ik wakker. Du moment dat ik mijn ogen opende en me realiseerde dat ik in mijn tentje kampeerde op Burning Man, schoot een lichte paniekaanval door mijn lijf: het bewustzijn dat ik alweer zoveel uur gemist had. Burning Man is net als New York, een stad die vierentwintig uur per dag leeft, waar je ieder moment van de dag iets bijzonders kunt beleven. Iedere minuut die je slapend doorbrengt, betekent dat je dingen mist. Bijzondere dingen. Dingen die moeilijk na te vertellen zijn. Dezelfde paniek heb ik lang geleden afgezworen in mijn dagelijkse leven: daar waar ik ben is het goed. Maar de energie van het festival maakte dat ik me weer liet regeren door oude patronen.

Wanneer je je kamp uitliep, begon het avontuur. Bijvoorbeeld onderweg naar de wc, bij The Horse Cock Camp, onze buren, die je iedere ochtend een spanking met een enorm grote (vandaar de kanmpnaam) dildo aanboden. Mijn voornemen om op alles 'ja' te zeggen heb ik na een paar dagen laten varen. Aan het einde van onze straat stond een bar in de vorm van een piratenschip, waar je iedere avond gratis drankjes kon halen. Twee straten verder vond ik een telefooncel waar je met god kon praten (hij had niet zo heel veel te melden) en tussen drie en half vier kon je onderaan de Man zoenen met Jake, die op zoek was naar 'the best kisser in the USA'. Kritiek kon achteraf op aanvraag verkregen worden.

Bij binnenkomst kregen we een boekje met alle activiteiten van de week. Alleen al het doornemen daarvan kostte je ongeveer een halve dag. Sommige onderdelen waren ronduit onbereikbaar: voor de gratis knipbeurt door professionele kappers, tussen vier en zes uur, stond een rij tot aan het einde van de straat. Bij de gongmeditatie was ik laat genoeg om op een te zonnig plekje te liggen, waardoor ik haast een zonnesteek opliep voordat ik op welke manier dan ook een meditatieve staat van zijn had bereikt. Ik pikte nog een laatste restje gratis yoghurt ijs mee, toen ik toevallig langs fietste en de rij van drie kwartier was geslonken tot vijf minuten.

Het duizelde me de hele dag van alle mogelijkheden. Dagen na het verlaten van de playa was ik nog steeds niet uitgelezen in het boekje met activiteiten. Zoals me al eerder verteld was, is de gids vooral een bewijs van alles wat je gemist hebt. Maar door dat bewustzijn wil ik alleen maar nog liever weer terug volgend jaar. In de hoop me dan te kunnen neerleggen bij dat vreselijke feit.

maandag 20 september 2010

MOOP

Alles wat je kan verzinnen is er te vinden. Alles behalve één ding: afvalbakken. Burning Man hanteert namelijk een 'leave no trace' beleid: wat je zelf meeneemt, dien je ook zelf mee terug te nemen. Sterker nog: wanneer je op een bepaald moment iets van iemand krijgt, moet je dat vervolgens ook zelf mee terug nemen. Een wijze les die ik opdeed toen ik op een warme namiddag dankbaar een slok van een biertje nam, vervolgens de persoon die me het flesje had aangeboden niet meer kon terug vinden en de rest van de dag met een leeg bierflesje moest rondlopen omdat ik al die tijd te ver van ons kamp was om het even in een vuilniszak te gooien.

Een van de termen die bij dit beleid horen is MOOP: Matter Out Of Place. Wat is zoal MOOP? Alles. Letterlijk alles is MOOP. Wanneer het op de grond ligt en niemand het vast houdt, is het MOOP. En ja, ik hou van het woord MOOP. Nog beter is het werkwoord: MOOPEN. Of, op zijn Engels: MOOPING.
Dit leidde tot een week lang heerlijk vervormen: 'he! Je moopt!'. 'Jongens, niet moopen hoor!'. Shit, ik moopte net per ongeluk op de fiets.'
MOOP vergemakkelijkt de conversatie ook. Je hoeft geen beschrijving meer te geven van wat er op de grond ligt. In plaats van te zeggen: 'pas op, het plastic pieletje waarmee je etiketje aan je trui zat, ligt naast je stoel', zeg je nu alleen: 'pas op! MOOP!'. Iedereen begrijpt direct wat je bedoelt. Soms gingen we ontmoopen: ons kamp afvalvrij maken, met andere woorden: turend naar beneden, gebukt met je neus bijna op de grond, op zoek naar de kleinste flintertjes hout, etensresten, papier, of wat dan ook, alles wat geen onderdeel was van de natuurlijke omgeving.

Het bekende liedje Manha Mahna van de Muppet Show is een erg goed ontmoop liedje: Moopmoop Moopmoop...