Ik zit achter mijn Apple laptop, met in mijn hand een net geopend flesje Mountain Spring water van Trader Joe's. Naast mijn computer liggen de restanten van een Wholefoods scone. Met mijn blauwe Wolky schoenen tik ik zachtjes op de grond terwijl ik de juiste zinnen probeer te vinden. Het labeltje van mijn Victoria Secrets bh prikt in mijn rug, vergeten te verwijderen. Ik neem nog een slok water en sta op om een kopje Twinnings Earl Grey thee te maken. In de tussentijd vraag ik me af waar ik zo zal gaan eten. Bij een van de nabije organic restaurantjes, of bij een van de grotere ketens, als Humus Place, of Sushi Samba?
Teveel keus.
Ik wil naar de film, gelukkig is er geen Pathe te vinden, hier in New York, wel Angelica of IFC. Mijn oog, met maandlenzen van Bausch & Lomb, valt op The greatest movie ever sold. Ik neem de MTA metro naar Broadway en Lafayette en even later zak ik diep weg in het rode pluche.
Wanneer het licht uit gaat word ik anderhalf uur lang overspoeld met al dan niet verborgen reclamebeelden. Het gaat snel, en ik wantrouw alles wat ik zie. Hoe kan het dat we het doodnormaal vinden dagelijks belaagd te worden door bedrijven en organisaties die droomwerelden beloven? Hoe hebben we het laten gebeuren dat niet wij verzinnen wat we doen, maar we dat door anderen laten bepalen? En, belangrijker, waarom trappen we er in? Waarom hebben we er geen moeite mee, dat alles wat we zien gesponsord is, of verkocht moet worden? Waarom halen we onze schouders op en gaan we door, met precies dat te doen wat de bedrijven bedacht hebben dat wij willen doen?
Als ik na afloop duizelig naar buiten loop heb ik dorst. Ik loop een bodega binnen en koop een POM. Gek, daar had ik nog nooit eerder zin in.
woensdag 18 mei 2011
zaterdag 14 mei 2011
Bill
Het is met New York net als met andere grote steden. De echte New Yorkers wonen niet meer op Manhattan. Net zoals de echte Amsterdammers voor het merendeel ergens diep in Almere wonen, zo wonen de meeste New Yorkers inmiddels in Brooklyn, Queens of the Bronx. Dus van wie is New York? Van de toeristen, die met zijn zevenenveertig miljoenen jaarlijks het eiland bewandelen? Of de acht-punt-twee miljoen inwoners, die vanuit de hele wereld hier naar toe komen om hun geluk te beproeven in de stad waar alles kan?
Is New York van de bankiers, die in het zuidelijkste puntje van het eiland op een gebied dat niet groter is dan een paar vierkante kilometer, beslissingen nemen die de rest van de wereld beïnvloeden? Is het de stad van de bedrijven die allemaal proberen mee te surfen op de energie golf waar NYC zo bekend om staat? Of is het de stad van de kunstenaars, de Andy Warhols en Woody Allens, die zowel vroeger als nu de culturele waarden bepalen voor zoveel verschillende genres?
Als New York al van iemand kan zijn, dan lijkt me dat het de stad van Bill Cunningham is. Bill Cunningham verhuisde in 1948 naar New York, en fotografeert al jaren niet alleen de bijzondere evenementen in de stad, maar ook de mode die hij op straat tegen komt. Zijn eerste spread in de New York Times was het begin van een voortdurende verzameling foto's die het mode tijdsbeeld van de stad op een prachtige manier weergeeft. Bill brengt de catwalk naar de straat en toont hoe de 'gewone' New Yorkse vrouwen hun eigen draai geven aan de mode die door designers wordt bedacht.

In de film Bill Cunningham New York wordt een portret geschetst van een uiterst aimabele en ontroerende man van tachtig. Een man met een grote lach, die zijn gezicht tot en met zijn ogen aan toe open breekt. Een man die nog steeds op zijn fiets de stad doorkruist, van society gebeuren naar society gebeuren, waar hij gezellig praat met alle aanwezigen - die hem natuurlijk allemaal kennen - maar waar hij nooit iets zal eten of drinken. "Ik ben daar aan het werk." Een man die al meer dan veertig jaar in een van de artist lofts van Carnegie Hall woonde, totdat hij met de twee andere laatste bewoners vorig jaar alsnog werd verdreven, die een kamertje had dat vol stond gestouwd met archiefkasten, waar hij al zijn foto's in bewaarde, waar hij tussen sliep, op een eenpersoonsstretcher met een laken en een deken. En die in zijn nieuwe appartement dat uitkijkt op Central Park de nieuwe keuken eruit liet slopen om plaats te maken voor zijn kasten. Een man die altijd in een blauwe overjas rond loopt, omdat die niet stuk gaat door zijn camera die er voortdurend tegenaan schuurt. Een man die overal vrienden heeft, maar die niemand dichtbij laat. Waarvan niemand precies weet wat zijn geschiedenis is, of hij wel eens verliefd is geweest en wie zijn 'echte' vrienden zijn. Een man die niet het middelpunt wil zijn, die niet teveel nadenkt over zijn eigen impact op anderen, maar die al dan niet bewust anderen raakt. Een man die precies weet wat hij wil zeggen als hij met zijn foto's in de weer is, maar die stil wordt als het over hem gaat. Een man die is vergroeid met New York, die leeft van de stad en die de stad zijn leven heeft gegeven. Door er te zijn, door te kijken en door vast te leggen.
"He who seeks art will find it," zegt hij op het eind. En zo is het.
Bill werkt nog steeds voor de Times.
Is New York van de bankiers, die in het zuidelijkste puntje van het eiland op een gebied dat niet groter is dan een paar vierkante kilometer, beslissingen nemen die de rest van de wereld beïnvloeden? Is het de stad van de bedrijven die allemaal proberen mee te surfen op de energie golf waar NYC zo bekend om staat? Of is het de stad van de kunstenaars, de Andy Warhols en Woody Allens, die zowel vroeger als nu de culturele waarden bepalen voor zoveel verschillende genres?
Als New York al van iemand kan zijn, dan lijkt me dat het de stad van Bill Cunningham is. Bill Cunningham verhuisde in 1948 naar New York, en fotografeert al jaren niet alleen de bijzondere evenementen in de stad, maar ook de mode die hij op straat tegen komt. Zijn eerste spread in de New York Times was het begin van een voortdurende verzameling foto's die het mode tijdsbeeld van de stad op een prachtige manier weergeeft. Bill brengt de catwalk naar de straat en toont hoe de 'gewone' New Yorkse vrouwen hun eigen draai geven aan de mode die door designers wordt bedacht.

In de film Bill Cunningham New York wordt een portret geschetst van een uiterst aimabele en ontroerende man van tachtig. Een man met een grote lach, die zijn gezicht tot en met zijn ogen aan toe open breekt. Een man die nog steeds op zijn fiets de stad doorkruist, van society gebeuren naar society gebeuren, waar hij gezellig praat met alle aanwezigen - die hem natuurlijk allemaal kennen - maar waar hij nooit iets zal eten of drinken. "Ik ben daar aan het werk." Een man die al meer dan veertig jaar in een van de artist lofts van Carnegie Hall woonde, totdat hij met de twee andere laatste bewoners vorig jaar alsnog werd verdreven, die een kamertje had dat vol stond gestouwd met archiefkasten, waar hij al zijn foto's in bewaarde, waar hij tussen sliep, op een eenpersoonsstretcher met een laken en een deken. En die in zijn nieuwe appartement dat uitkijkt op Central Park de nieuwe keuken eruit liet slopen om plaats te maken voor zijn kasten. Een man die altijd in een blauwe overjas rond loopt, omdat die niet stuk gaat door zijn camera die er voortdurend tegenaan schuurt. Een man die overal vrienden heeft, maar die niemand dichtbij laat. Waarvan niemand precies weet wat zijn geschiedenis is, of hij wel eens verliefd is geweest en wie zijn 'echte' vrienden zijn. Een man die niet het middelpunt wil zijn, die niet teveel nadenkt over zijn eigen impact op anderen, maar die al dan niet bewust anderen raakt. Een man die precies weet wat hij wil zeggen als hij met zijn foto's in de weer is, maar die stil wordt als het over hem gaat. Een man die is vergroeid met New York, die leeft van de stad en die de stad zijn leven heeft gegeven. Door er te zijn, door te kijken en door vast te leggen.
"He who seeks art will find it," zegt hij op het eind. En zo is het.
Bill werkt nog steeds voor de Times.
woensdag 11 mei 2011
Earthalujah!
New York is de stad van de consumptie. Eten, kleren, spullen, ideeën, ervaringen. Alles is te koop. Duizenden restaurantjes, diners en bars lokken je naar binnen om bij hen je volgende maaltijd te nuttigen. Kledingzaken stunten met goedkopere, duurdere, mooiere, betere of bijzonderdere kleren dan je elders vinden kan. Op Manhattan sluit de ene straat met prachtige en begerenswaardige spullen naadloos aan op de volgende, zodat je je voortdurend in een wereld van hebzucht bevind.
Geruime tijd geleden, lang voordat ik naar New York vertrok, besloot ik zo min mogelijk te consumeren. Waarom zoveel spullen in mijn huis? Waarom steeds weer nieuwe kleren? Met die gedachte in mijn hoofd probeer ik iedere keer weer bewust te kiezen: waarom wil ik dit hebben, wil ik het echt? Word ik er gelukkiger van?
Deels is het gemakkelijk: je kunt niet alles kopen, je kunt niet alles bezitten. Mijn slinkende bankrekening maakt dat ik redelijk probleemloos langs alle verleidingen kan lopen. Maar soms, soms zou ik willen dat ik veel geld had, zodat ik die mooie boekjes kon kopen, of die geweldige tas, die prachtige schoenen en al die lekkere dingen die ik zie.
Lange tijd was ik op zoek naar medestanders, mensen om mijn geloof mee te delen. Ze zijn er natuurlijk wel, maar ik vond ze vaak niet radicaal genoeg. Tot ik Reverend Billy and the Church of Earthalujah vond, die niet alleen mijn ideeen delen, maar ze ook nog eens heel goed weten uit te dragen. Tijdens de wekelijkse 'service' zingt het Stop Life After Shopping Gospel Choir liederen als "Stop Shopping, Shop no more, We won't shop again, forever and amen", "Earth is speaking, do you speak earth? Got to listen harder, put your ear to the dirt".

Ze zijn echter niet alleen wekelijks in een theater te vinden. Hun echte activiteiten vinden buiten plaats, in parken en op pleinen, en bij voorkeur in winkels, waar ze proberen consumenten wakker te maken en de duivel uit de kassa verjagen. Naast acties tegen Starbucks, Victoria Secret, en inkopen in het algemeen, organiseren ze ook verschillende campagnes die onder drie initiatieven vallen:
* het ondersteunen en pleiten voor duurzame consumptie
* het stimuleren van sterke lokale bedrijven
* het verdedigen van het Eerste Amendement en de openbare ruimte.
Dit leidde tot acties voor het behoud van Union Square park, Coney Island en recentelijk tegen Mountaintop Removal, waarbij bergtoppen worden opgeblazen om kolen te delven.
Ik ben geinspireerd geraakt door Reverend Billy en zijn koor. Los van hun hoge entertainment gehalte dragen ze een boodschap uit die ik steun. Ze bekijken de wereld op een manier die ik graag overneem, en die ik met liefde predik. Met andere woorden: ik ben bekeerd.
Earthalujah!
Geruime tijd geleden, lang voordat ik naar New York vertrok, besloot ik zo min mogelijk te consumeren. Waarom zoveel spullen in mijn huis? Waarom steeds weer nieuwe kleren? Met die gedachte in mijn hoofd probeer ik iedere keer weer bewust te kiezen: waarom wil ik dit hebben, wil ik het echt? Word ik er gelukkiger van?
Deels is het gemakkelijk: je kunt niet alles kopen, je kunt niet alles bezitten. Mijn slinkende bankrekening maakt dat ik redelijk probleemloos langs alle verleidingen kan lopen. Maar soms, soms zou ik willen dat ik veel geld had, zodat ik die mooie boekjes kon kopen, of die geweldige tas, die prachtige schoenen en al die lekkere dingen die ik zie.
Lange tijd was ik op zoek naar medestanders, mensen om mijn geloof mee te delen. Ze zijn er natuurlijk wel, maar ik vond ze vaak niet radicaal genoeg. Tot ik Reverend Billy and the Church of Earthalujah vond, die niet alleen mijn ideeen delen, maar ze ook nog eens heel goed weten uit te dragen. Tijdens de wekelijkse 'service' zingt het Stop Life After Shopping Gospel Choir liederen als "Stop Shopping, Shop no more, We won't shop again, forever and amen", "Earth is speaking, do you speak earth? Got to listen harder, put your ear to the dirt".

Ze zijn echter niet alleen wekelijks in een theater te vinden. Hun echte activiteiten vinden buiten plaats, in parken en op pleinen, en bij voorkeur in winkels, waar ze proberen consumenten wakker te maken en de duivel uit de kassa verjagen. Naast acties tegen Starbucks, Victoria Secret, en inkopen in het algemeen, organiseren ze ook verschillende campagnes die onder drie initiatieven vallen:
* het ondersteunen en pleiten voor duurzame consumptie
* het stimuleren van sterke lokale bedrijven
* het verdedigen van het Eerste Amendement en de openbare ruimte.
Dit leidde tot acties voor het behoud van Union Square park, Coney Island en recentelijk tegen Mountaintop Removal, waarbij bergtoppen worden opgeblazen om kolen te delven.
Ik ben geinspireerd geraakt door Reverend Billy en zijn koor. Los van hun hoge entertainment gehalte dragen ze een boodschap uit die ik steun. Ze bekijken de wereld op een manier die ik graag overneem, en die ik met liefde predik. Met andere woorden: ik ben bekeerd.
Earthalujah!
donderdag 28 april 2011
Choreografie
Mensen staan her en der verspreid. Sommigen zitten op houten bankjes. Iedereen lijkt in gedachten verzonken, kijkt voor zich uit, of speelt een spelletje op zijn telefoon. Sommige mensen hebben oordopjes in, waar vlagen van luide muziek uit komt. De verschillende liedjes vormen samen een ruis, waarbij soms bepaalde liedjes harder te horen zijn.
Dan een hard geluid. Twee lichtjes die dichterbij komen. Het geluid van openschuivende deuren. Er komt beweging in de massa. Vanuit hun verschillende uitgangspunten bewegen ze allemaal naar dezelfde plek toe. Ze verenigen zich met nieuwe mensen, voorbijgaande personages in ieders leven.
Terwijl de snelheid de choreografie overneemt vindt de massa één ritme. Samen bewegen ze naar links, naar rechts. Het zijn kleine bewegingen, maar perfect gecoördineerd, allemaal op hetzelfde moment. Iedereen houdt zich vast, sommigen zitten, anderen leunen tegen deuren of palen. Maar ze hebben allemaal hetzelfde ritme. Het lijkt ongecontroleerd, plotseling.
Ze blijven allemaal onverstoord voor zich uit kijken, of naar beneden, waar ze boekjes of telefoons in hun handen hebben. Ze proberen elkaar niet aan te raken, wijken uit wanneer iemand te dichtbij komt. Om elkaar dan weer, soms bedoeld, soms onbedoeld, op te zoeken. Een voet raakt een been, een hand raakt een rug. Kleine tekenen van saamhorigheid, van deel uit maken van de groep. Bevestigingen van elkaars bestaan. Heel soms kruisen blikken elkaar. Dan wordt geknikt, soms gelachen.
Wanneer de deuren weer open gaan herhaalt het ritueel zich. Oude voorbijgangers verlaten de groep, nieuwe komen erbij en pikken moeiteloos het ritme van de snelheid op.
Dan een hard geluid. Twee lichtjes die dichterbij komen. Het geluid van openschuivende deuren. Er komt beweging in de massa. Vanuit hun verschillende uitgangspunten bewegen ze allemaal naar dezelfde plek toe. Ze verenigen zich met nieuwe mensen, voorbijgaande personages in ieders leven.
Terwijl de snelheid de choreografie overneemt vindt de massa één ritme. Samen bewegen ze naar links, naar rechts. Het zijn kleine bewegingen, maar perfect gecoördineerd, allemaal op hetzelfde moment. Iedereen houdt zich vast, sommigen zitten, anderen leunen tegen deuren of palen. Maar ze hebben allemaal hetzelfde ritme. Het lijkt ongecontroleerd, plotseling.
Ze blijven allemaal onverstoord voor zich uit kijken, of naar beneden, waar ze boekjes of telefoons in hun handen hebben. Ze proberen elkaar niet aan te raken, wijken uit wanneer iemand te dichtbij komt. Om elkaar dan weer, soms bedoeld, soms onbedoeld, op te zoeken. Een voet raakt een been, een hand raakt een rug. Kleine tekenen van saamhorigheid, van deel uit maken van de groep. Bevestigingen van elkaars bestaan. Heel soms kruisen blikken elkaar. Dan wordt geknikt, soms gelachen.
Wanneer de deuren weer open gaan herhaalt het ritueel zich. Oude voorbijgangers verlaten de groep, nieuwe komen erbij en pikken moeiteloos het ritme van de snelheid op.
zondag 17 april 2011
Fietspad oorlog
Het kopen van een fiets, een paar weken geleden, ging gepaard met allerlei goede raad - over de gevaren van fietsen zonder helm, en de noodzaak van goede sloten - die tot honende blikken van mij kant leidde. Een Amsterdamse laat zich natuurlijk niets vertellen over sloten (alhoewel ik thuis uit luiheid al jarenlang met één slot door het leven ga, en dat nog steeds goed gaat) en ik zal nog niet dood met een helm op mijn hoofd gevonden willen worden.
Steeds weer werd er berispend gesproken dat New York toch echt niet te vergelijken is met Amsterdam, dat schattige dorp met grachten. Nee, hier, in de stad van de criminaliteit en de gekken, is fietsen een levensgevaarlijke onderneming die serieus moet worden genomen en waar niet te licht gedacht mag worden over veiligheid en diefstal.
Vooralsnog fiets ik dolgelukkig helmloos door de stad. De gekte die me voorspeld werd valt mee, alhoewel ik wel iets oplettender van Ave naar Ave peddel dan dat ik in Amsterdam over de grachten fiets. Maar om nou te zeggen dat het een wildernis is. Nee. In tegendeel: het is heerlijk om met de wind in je haar over de Brooklyn Bridge naar Manhattan te fietsen (maar pas op voor toeristen!), of in Williamsburg koffie te gaan drinken en niet in de donkere metro te hoeven stappen om er te komen.
Ik kwam er echter achter dat hier een verborgen geschiedenis ligt, waar ik mij niet bewust van was.
Om in het zogenaamde hipster gedeelte van Williamsburg te komen, waar de fijne cafeetjes en restaurantjes zijn, moet ik vanuit Bed-Stuy waar ik woon door een wijk waar Chassidische Joden wonen: mannen met hoge zwarte hoeden en pijpenkrullen, vrouwen met pruiken of hoofddoekjes, lange rokken, zwarte nauwsluitende jassen, kinderen met soortgelijke pijpenkrullen en achttiende eeuwse kledij, het wemelt ervan. Tijdens een wandeling enkele weken geleden voelde ik me al, zwak gezegd, niet geheel op mijn plaats. Ik liep natuurlijk in mijn korte rok het straatbeeld te vervuilen, dus met een beetje moeite kon ik me voorstellen dat ik daarom niet alleen volledig genegeerd werd, maar ook dat mensen uit voorzorg de straat overstaken om mij niet tegen te hoeven komen. Al fietsend kwam ik er achter dat dit gedrag echter ook mijn veiligheid op het spel zet, want in hun drang mij niet te willen zien steken mensen snel vlak voor me over, of rijden ze stoïcijns door zonder mij de voorrang te geven wanneer ik die wel heb. Ze hebben letterlijk een blinde vlek voor mensen die niet bij hun gemeenschap horen.
Dit gegeven maakt bij mij nogal veel gefrustreerde gevoelens los over religie, verdraagzaamheid, superioriteit en meer van dien. Toen ik die uitte tegen een vriendin, vertelde zij me over de fietspadoorlog die in 2009 plaats heeft gevonden.

New York creëert steeds meer fietspaden en -routes, waaronder ook de Bedford bike lane, die heel Brooklyn doorkruist en die mij veilig richting Williamsburg Bridge, cafe's en yoga brengt. Toen de Chassidische gemeenschap klaagde omdat het fietspad een gevaar voor 'veiligheid en religie' was (zogenaamd omdat kinderen niet veilig uit schoolbussen konden stappen omdat die niet op het fietspad mogen parkeren - maar eigenlijk omdat de kledingstijl van de hipsters de religieuze voorschriften van de Joden in het nauw brengt, zij mogen geen onbedekte huid zien), besloot het Department of Transportation de fietspaden te verwijderen. Hierbij hadden ze niet gerekend op de creatieve aard van de hipsters, die de fietspaden 's nachts weer aanbrachten en om hun protest kracht bij te zetten daarnaast opriepen tot een Freedom Ride waarbij zij topless door de wijk zouden fietsen. Een hevige sneeuwstorm voorkwam dat, maar weerhield de fietsers niet ervan om met voorgebonden plastic borsten blijk van hun ongenoegen te geven.
Het resultaat? Een mooiere, veilige, fietsbaan, enkele blokken verder, en een druk bezocht en duidelijk zichtbaar fietspad op Bedford. Je zou denken dat zeker in een stad als New York, de stad van de immigranten, verschillende mensen met elkaar kunnen leven. Als het hier al niet kan, hoe kunnen we dan hoop hebben voor al die andere plaatsen van onverdraagzaamheid?
Steeds weer werd er berispend gesproken dat New York toch echt niet te vergelijken is met Amsterdam, dat schattige dorp met grachten. Nee, hier, in de stad van de criminaliteit en de gekken, is fietsen een levensgevaarlijke onderneming die serieus moet worden genomen en waar niet te licht gedacht mag worden over veiligheid en diefstal.
Vooralsnog fiets ik dolgelukkig helmloos door de stad. De gekte die me voorspeld werd valt mee, alhoewel ik wel iets oplettender van Ave naar Ave peddel dan dat ik in Amsterdam over de grachten fiets. Maar om nou te zeggen dat het een wildernis is. Nee. In tegendeel: het is heerlijk om met de wind in je haar over de Brooklyn Bridge naar Manhattan te fietsen (maar pas op voor toeristen!), of in Williamsburg koffie te gaan drinken en niet in de donkere metro te hoeven stappen om er te komen.
Ik kwam er echter achter dat hier een verborgen geschiedenis ligt, waar ik mij niet bewust van was.
Om in het zogenaamde hipster gedeelte van Williamsburg te komen, waar de fijne cafeetjes en restaurantjes zijn, moet ik vanuit Bed-Stuy waar ik woon door een wijk waar Chassidische Joden wonen: mannen met hoge zwarte hoeden en pijpenkrullen, vrouwen met pruiken of hoofddoekjes, lange rokken, zwarte nauwsluitende jassen, kinderen met soortgelijke pijpenkrullen en achttiende eeuwse kledij, het wemelt ervan. Tijdens een wandeling enkele weken geleden voelde ik me al, zwak gezegd, niet geheel op mijn plaats. Ik liep natuurlijk in mijn korte rok het straatbeeld te vervuilen, dus met een beetje moeite kon ik me voorstellen dat ik daarom niet alleen volledig genegeerd werd, maar ook dat mensen uit voorzorg de straat overstaken om mij niet tegen te hoeven komen. Al fietsend kwam ik er achter dat dit gedrag echter ook mijn veiligheid op het spel zet, want in hun drang mij niet te willen zien steken mensen snel vlak voor me over, of rijden ze stoïcijns door zonder mij de voorrang te geven wanneer ik die wel heb. Ze hebben letterlijk een blinde vlek voor mensen die niet bij hun gemeenschap horen.
Dit gegeven maakt bij mij nogal veel gefrustreerde gevoelens los over religie, verdraagzaamheid, superioriteit en meer van dien. Toen ik die uitte tegen een vriendin, vertelde zij me over de fietspadoorlog die in 2009 plaats heeft gevonden.

New York creëert steeds meer fietspaden en -routes, waaronder ook de Bedford bike lane, die heel Brooklyn doorkruist en die mij veilig richting Williamsburg Bridge, cafe's en yoga brengt. Toen de Chassidische gemeenschap klaagde omdat het fietspad een gevaar voor 'veiligheid en religie' was (zogenaamd omdat kinderen niet veilig uit schoolbussen konden stappen omdat die niet op het fietspad mogen parkeren - maar eigenlijk omdat de kledingstijl van de hipsters de religieuze voorschriften van de Joden in het nauw brengt, zij mogen geen onbedekte huid zien), besloot het Department of Transportation de fietspaden te verwijderen. Hierbij hadden ze niet gerekend op de creatieve aard van de hipsters, die de fietspaden 's nachts weer aanbrachten en om hun protest kracht bij te zetten daarnaast opriepen tot een Freedom Ride waarbij zij topless door de wijk zouden fietsen. Een hevige sneeuwstorm voorkwam dat, maar weerhield de fietsers niet ervan om met voorgebonden plastic borsten blijk van hun ongenoegen te geven.
Het resultaat? Een mooiere, veilige, fietsbaan, enkele blokken verder, en een druk bezocht en duidelijk zichtbaar fietspad op Bedford. Je zou denken dat zeker in een stad als New York, de stad van de immigranten, verschillende mensen met elkaar kunnen leven. Als het hier al niet kan, hoe kunnen we dan hoop hebben voor al die andere plaatsen van onverdraagzaamheid?
dinsdag 12 april 2011
Sokken
Er is een werelden van sokken. Sokken met een levensverhaal en karakteromschrijving. Ze leven in een wereld waarin je de ene sok nou eenmaal niet kunt vergelijken met de andere. Omdat geen enkele sok hetzelfde is.
Deze sokwereld is vergelijkbaar met die van ons. Er is muziek, er is televisie, en natuurlijk zijn ze ook te vinden op Facebook en Myspace. En deze sokwereld heeft een God. Die Marty Allen heet. En die van gewone sokken personages maakt. Waar hij dan filmpjes mee opneemt, en muziek. En waar hij foto's van verkoopt, in fotolijstjes die hij in een oplage van twintig duizend uit China liet overkomen. Waarop hij op de achterkant de persoonlijkheid van de geportretteerde sok uitlegt. Portretten, die overigens ook al heel veel over de desbetreffende sok vertellen.
Wanneer je met Marty praat, als hij achter zijn stalletje staat, praat hij heel snel. Echt, razend snel. En hij zegt de woorden sock puppets meerdere keren in elke zin. Maar hoe je het ook wendt of keert, hij leeft van zijn sokken. Zijn sokken zijn zijn inkomen.
Ik weet niet of dat komt door de energie en charme van hun schepper, of door hun geweldige uitstraling, hoe dan ook: ook ik liep weg met een portret onder mijn arm. Of beter: zorgvuldig ingepakt in bubbeltjesplastic, (beter bekend als noppenfolie maar dat vind ik niet bij deze sokken passen), want Marty vond het maar niets, mijn idee om het portret gewoon in mijn tas te stoppen tussen de boeken. Liever pakte hij het goed in.
Mijn mede-sokken-portret-adoptie-genoot al snel zijn keuze liet vallen op Lillith Lollybottom, die hem zwoel en zelfs een tikkeltje verlopen aankeek, mijn keus viel op Plim of Zimmy Zambini. Waar Plim er nogal cool uitzag, met haar dat door een windvlaag nonchalant één kant op leek te zijn gewaaid, een soort van rockster zeg maar, zag Zimmy eruit alsof ze net een spook had gezien, of alsof ze zichzelf net in een spiegel had bekeken. Haar haar door alle stress alle kanten op, haar mond nog open na haar schreeuw. Ze leek gered te moeten worden.
Marty stelde me echter gerust: Zimmy is de slimme zus van Plim en Plom, waar ze samen The Fabulous Flying Zambinis mee vormt; een wereld bekend acrobaten trio, waarvan de ouders verpletterd werden door een olifant toen de kinderen nog klein waren. Ze werden door de andere circusartiesten goed opgevangen en ze zorgen goed voor elkaar. Zimmy is de virtuoos van de de drie getalenteerde artiesten, maar heeft een tere geest.
Toen was de keuze snel gemaakt. Plim zou zichzelf wel redden. Ik zorg voor Zimmy.
Deze sokwereld is vergelijkbaar met die van ons. Er is muziek, er is televisie, en natuurlijk zijn ze ook te vinden op Facebook en Myspace. En deze sokwereld heeft een God. Die Marty Allen heet. En die van gewone sokken personages maakt. Waar hij dan filmpjes mee opneemt, en muziek. En waar hij foto's van verkoopt, in fotolijstjes die hij in een oplage van twintig duizend uit China liet overkomen. Waarop hij op de achterkant de persoonlijkheid van de geportretteerde sok uitlegt. Portretten, die overigens ook al heel veel over de desbetreffende sok vertellen.
Wanneer je met Marty praat, als hij achter zijn stalletje staat, praat hij heel snel. Echt, razend snel. En hij zegt de woorden sock puppets meerdere keren in elke zin. Maar hoe je het ook wendt of keert, hij leeft van zijn sokken. Zijn sokken zijn zijn inkomen.
Ik weet niet of dat komt door de energie en charme van hun schepper, of door hun geweldige uitstraling, hoe dan ook: ook ik liep weg met een portret onder mijn arm. Of beter: zorgvuldig ingepakt in bubbeltjesplastic, (beter bekend als noppenfolie maar dat vind ik niet bij deze sokken passen), want Marty vond het maar niets, mijn idee om het portret gewoon in mijn tas te stoppen tussen de boeken. Liever pakte hij het goed in.
Mijn mede-sokken-portret-adoptie-genoot al snel zijn keuze liet vallen op Lillith Lollybottom, die hem zwoel en zelfs een tikkeltje verlopen aankeek, mijn keus viel op Plim of Zimmy Zambini. Waar Plim er nogal cool uitzag, met haar dat door een windvlaag nonchalant één kant op leek te zijn gewaaid, een soort van rockster zeg maar, zag Zimmy eruit alsof ze net een spook had gezien, of alsof ze zichzelf net in een spiegel had bekeken. Haar haar door alle stress alle kanten op, haar mond nog open na haar schreeuw. Ze leek gered te moeten worden.
Marty stelde me echter gerust: Zimmy is de slimme zus van Plim en Plom, waar ze samen The Fabulous Flying Zambinis mee vormt; een wereld bekend acrobaten trio, waarvan de ouders verpletterd werden door een olifant toen de kinderen nog klein waren. Ze werden door de andere circusartiesten goed opgevangen en ze zorgen goed voor elkaar. Zimmy is de virtuoos van de de drie getalenteerde artiesten, maar heeft een tere geest.
Toen was de keuze snel gemaakt. Plim zou zichzelf wel redden. Ik zorg voor Zimmy.
maandag 4 april 2011
Sketchbook
Eens per jaar gaan er duizenden lege boekjes de hele wereld over. Overal zitten mensen ongeduldig te wachten tot hun nieuwe blanco schat binnen komt, zodat ze er hun ziel en zaligheid in kwijt kunnen. je zou het kunnen vergelijken met een dagboek. Maar waar een dagboek als het volgeschreven is met alle verdriet en vreugde die in de voorgaande periode langs kwam, vervolgens op een plankje of in een doos wordt weggelegd, worden deze boekjes weer teruggestuurd. Nadat hun eigenaars er maanden in hebben geschreven, getekend, geplakt, en geknipt om er een uniek kunstwerkje van te maken, gaan ze terug naar de plek waar ze vandaan kwamen: de Art Library in Brooklyn.

The Sketchbook Project is een verzameling van werelden. Van woorden, tekeningen, plaksels, stofjes en verf. Van lieflijke engeltjes die mooie zinnetjes produceren tot eenkoppige monsters die je grauw en koud aankijken vanaf de donker gekleurde pagina's. Er zijn boekjes die uitpuilen omdat ze vol nieuwe informatie zitten, waarbij de pagina's bij elkaar gehouden worden door elastiek of touw. En er zijn boekjes die uitgehold zijn, waarbij pagina's deels zijn weggehaald, aan elkaar zijn geplakt, om nieuwe vormen te maken.
Bovenal is het een verzameling van liefde. Want hoe verscheidend de inhoud ook moge zijn, en hoe verschillende de levens van de makers ook mogen zijn, al die mensen hebben met liefde hun boekje gevuld. Dat kan niet anders. Ze hebben erover nagedacht, er tijd een aandacht aan besteed. En vervolgens hebben ze de moeite genomen om hun kleine wereld weer in te pakken en terug te sturen.
Zodat er nu jaarlijks duizenden boekjes door Amerika reizen. Om broederlijk, rug aan rug, te wachten tot andere mensen hen uit die enorme stapel trekken er erdoorheen bladeren. Om heel even ontroerd te raken of te moeten lachen, of onder de indruk te zijn, van het werk van de maker.
The Sketchbook Project is een verzameling van werelden. Van woorden, tekeningen, plaksels, stofjes en verf. Van lieflijke engeltjes die mooie zinnetjes produceren tot eenkoppige monsters die je grauw en koud aankijken vanaf de donker gekleurde pagina's. Er zijn boekjes die uitpuilen omdat ze vol nieuwe informatie zitten, waarbij de pagina's bij elkaar gehouden worden door elastiek of touw. En er zijn boekjes die uitgehold zijn, waarbij pagina's deels zijn weggehaald, aan elkaar zijn geplakt, om nieuwe vormen te maken.
Bovenal is het een verzameling van liefde. Want hoe verscheidend de inhoud ook moge zijn, en hoe verschillende de levens van de makers ook mogen zijn, al die mensen hebben met liefde hun boekje gevuld. Dat kan niet anders. Ze hebben erover nagedacht, er tijd een aandacht aan besteed. En vervolgens hebben ze de moeite genomen om hun kleine wereld weer in te pakken en terug te sturen.
Zodat er nu jaarlijks duizenden boekjes door Amerika reizen. Om broederlijk, rug aan rug, te wachten tot andere mensen hen uit die enorme stapel trekken er erdoorheen bladeren. Om heel even ontroerd te raken of te moeten lachen, of onder de indruk te zijn, van het werk van de maker.
Abonneren op:
Posts (Atom)