vrijdag 30 december 2011

Openbaar

Ik probeerde me tevergeefs te herinneren wanneer ik voor het eerst van 'het internet' hoorde. Ergens in '98 creëerde ik mijn eigen email adres, bij een Nederlandse host die al heel lang niet meer bestaat. Zoals bij de meeste dingen huppel ik altijd achter de feiten aan. Zo werd ik lid van Hyves toen het al lang niet meer populair was, gebruik ik nog steeds hotmail, had ik vijftig Facebook uitnodigingen nodig om uiteindelijk overstag te gaan, en is online stukjes posten natuurlijk al lang weer achterhaald. Ik toon een deel van mijn leven online, de ene keer wat meer dan de andere, maar heb daarbij mijn grenzen bepaald. Soms zou ik willen dat ik voorop liep, en al lang van te voren zou weten wat de nieuwe hype gaat worden, zodat ik daar handig op in kan springen en er zelfs wat geld mee zou kunnen verdienen.

Zoals bijvoorbeeld Josh Harris, "the greatst internet pioneer you've never heard of", de "Warhol of the Web". Harris startte het eerste internet televisienetwerk, Pseudo.com, waarmee hij een wereld probeerde te creëren die toen totaal onbekend en nieuw was, maar die nu gewoon de dagelijkse realiteit is. Vervolgens bedacht hij het project Quiet, waarbij honderd mensen dertig dagen lang met elkaar opgesloten werden, zonder enige privacy. Waar bij Big Brother (dat op hetzelfde moment in Nederland startte) nog enige privacy in douche en toilet was, werd hier iedereen constant gefilmd, en kon men voortdurend elkaar bekijken. Volgens Harris was dit wederom een voorspelling van hoe ons leven er in de toekomst uit zou zien. Nadat Harris anderen als proefkonijnen voor zijn fascinaties had gebruikt, volgde het project We live in public, waarbij hij en zijn toenmalige vriendin onder 24 uur camera bewaking stonden, waarbij de kijkers met hen konden chatten en konden reageren op hun doen en laten. Uiteindelijk werden de opmerkingen van kijkers belangrijker dan hun leven en relatie zelf, en lieten zij zich door hun anonieme aanhangers uit elkaar drijven.



Het is allemaal te zien in de documentaire We Live in Public, gemaakt door Ondi Timoner in 2009, lang nadat Harris zijn leven op een ander continent was gaan leiden, ver weg van internet en oude schulden. Toen zijn vriendin hem en hun met camera's behangen huis had verlaten daalde zijn aanhang van 100 tot 15 mensen. "Ik voelde me nutteloos," zei Harris. Het deed mij denken aan de Postsecret app die ik op mijn telefoon heb. Waar de website wekelijks zorgt voor ontroerende en herkenbare momenten voor duizenden volgers over de hele wereld, is de telefoon app een wereld op zich geworden, waarbij mensen elkaar bekritiseren, becommentariëren en anoniem beschuldigen. Verzonnen geheimen, dreigementen "heart this and I won't kill myself", foto's van anderen met beschuldigende teksten, het is er allemaal op te vinden.



Harris voorspelde een wereld die werkelijkheid geworden is. Hij liep voorop en verdiende geld met het uitbuiten van anderen en zichzelf en maakte het gewone leven tot een openbaar goed. En terwijl ik net zo goed verslaafd ben aan het checken van mijn mail en facebook, en ik iedere dag de geheimen van onbekenden lees, zou ik er liever geen deel van uit willen maken. Wel van de wereld waarin ik met vrienden over de hele wereld gemakkelijk in contact kan komen, en waarin ik ontroerd kan raken van verborgen verhalen, maar niet van de andere kant van die wereld. Dan maar niet voorop lopen en geld verdienen.

woensdag 28 december 2011

Melancholia

Jaren geleden ging ik met vriendinnen naar de film tijdens het NFF. Vooraf waren we in Utrecht gaan eten, we dronken wijn en hadden zo'n typische 'meidenavond' die je doet gruwelen als je het leest, maar die echt heel gezellig en leuk was. We wisten weinig van de film die we gingen zien, alleen de naam van de regisseur en van de hoofdrolspeelster. Druk pratend en grappend liepen we naar binnen, ons van geen kwaad bewust. Ik vermoed dat ik als eerste begon te huilen, ergens in de eerst helft van de film, maar gaandeweg volgden de anderen mij met evenveel tranen en verdriet. Na afloop bleven we stil zitten, hand in hand. In stilte liepen we naar buiten, en in stilte dronken we nog een wijntje. Enkele maanden later ging ik nogmaals naar dezelfde film. Licht zenuwachtig deze keer, met het vorige tranendal nog vers in mijn herinnering. maar nu wist ik wat zou komen en zou ik niet zo naar verrast worden. Op precies hetzelfde moment, in de eerste helft van de film, begon ik weer te huilen, en ik kon niet stoppen tot het einde. Terwijl ik mijn berg zakdoekjes in mijn jaszak probeerde weg te stoppen, verzuchtte de vrouw naast me tegen haar vriend: "Wat een kut film, dit staat echt zóver van alle gevoel af!". Ik besloot nooit, nooit, nooit meer Dancer in the Dark te kijken.

Von Trier wilde ik niet afschrijven, zijn voorgaande films vond ik mooi. Dus zag ik Dogville, waarin het hem wederom lukte om een verschrikkelijke wereld te creëren. Tijdens het drankje achteraf besloot ik officieel nooit meer een Lars von Trier film te kijken.



Totdat ik een paar maanden geleden toch weer in een filmzaal zat, wetende dat de nieuwste Von Trier zo zou beginnen. Melancholia. Wederom zat ik totaal onvoorbereid in de zaal. Deze keer vond ik de pijnlijke familiesituaties die zich steeds weer voordeden humoristisch. De beelden waren prachtig, de conversaties intrigerend, de kleine handelingen en blikken verontrustend. Maar het was mooi. Totdat de planeet de hoofdrol overnam, en de film van standaard Von Trier ellende opeens super spannend werd! En terwijl het einde steeds sneller op ons af kwam, en de dreiging steeds groter werd, vroeg ik me af hoe hij dat in hemelsnaam visueel ging vertellen. Hoe kon hij, in het verlengde van wat ik zag, nu tot een mooi en bevredigend einde komen? De eind scène begon, en ik vermoedde dat dit zijn oplossing was. Begrijpelijk, en mooi. Melancholisch zelfs. Totdat hij uitzoomde, en het einde pas echt begon. Nadat alles plotseling zwart was geworden zat ik nog zeker tien minuten met open mond naar het scherm te staren. Niet wetende wat ik moest zeggen, of doen. Maar vervuld van verwondering, verbazing, onder de indruk en perplex.

Ik nam me voor om me nooit meer voor te nemen niet naar Von Trier films te gaan.

Sindsdien is mijn leven veranderd. Ik kan niet meer naar de maan kijken zonder me voor te stellen hoe het zou zijn als het een andere planeet was. De sterrenhemel is plotseling minder vredig en mooi. Het is een oneindige massa van mogelijke ellende, het gevaar is waar je het niet zien kan.

woensdag 14 december 2011

Gezellig

Terwijl ik in de rij langzaam vooruit schuifelde, langs kitschig gedecoreerde kraampjes, etende mensen en verklede pelgrims die luid op triangels en tamboerijnen sloegen, vroeg ik me af waarom dit 'gezellig' was? Mensen wierpen een licht ongeïnteresseerde blik op de uitgestalde koopwaar: kralenkettingen, neusfluiten, dure olijfolie, van die vreselijke kristallen dierenbeeldjes en de laatste workshop resultaten van de lokale buurthuizen. Eigenlijk waren ze vooral op weg van het ene eetkraampje naar het andere. Na de bokworst kwam de mini kaasfondue, dan de gemarineerde champignons, de aardappelkoekjes en vervolgens de zoete crêpes, wafels en ijsjes met slagroom. De stalletjes daartussen boden een momentje van rust om de zojuist verkregen smaaksensatie nog even na te proeven, alvorens zich in een nieuw culinair avontuur te storten.

De kerstmarkt.

In Limburg groeide ik op met dit fenomeen, zij het in een afgezwakte vorm van de Duitse variant. Misschien verklaart dat mijn antipathie tegen dit jaarlijkse ritueel. Misschien is het de herinnering aan kerst, aan de gedwongen gezelligheid die in mijn geval drie dagen per jaar werd afgedwongen - of waar althans een poging toe werd gedaan - die maakt dat mijn haren overeind gaan staan bij de gedachte alleen al. Er zijn vast heel veel psychologische redenen te verzinnen.


Maar eerlijk gezegd denk ik toch dat het vooral te maken heeft met de overdaad, het gedachteloos consumeren, en de goedkope marketing waarmee hordes mensen zo gemakkelijk zijn over te halen om als schaapjes achter elkaar aan te lopen. Wat nou crisis, wat nou zware tijden, wat nou? Hier, op een landgoed in Duitsland, betalen duizenden mensen vijf euro om geld uit te mogen geven aan vet eten en onbruikbare spullen.


Hoewel ik mijn best doe om dit niet neerbuigend te laten klinken, en ik de bezoekers niet wil veroordelen - want wat is er mis met lekker eten en spulletjes kopen of kijken, en hee, je bent ook nog even buiten - realiseer ik me dat ik jammerlijk faal. Want ja, ik begrijp het niet zo goed. Ik begrijp niet dat je je laat leiden door impulsinkopen, ik begrijp niet dat het leuk is om in een rij te moeten wachten tot je je dure worst kan kopen, terwijl er buiten het terrein een goedkopere - en vast lekkerdere - worst te krijgen is. Ik snap niet dat niet iedereen in de rij steeds geïrriteerder word door het langzame tempo, de mensen die achter je je schoenen van je hiel trapten, de mosterd die plotseling aan je jas zit omdat de man die je zojuist probeerde in te halen zijn handen niet had schoongeveegd.

En wat me vooral opviel: weinig mensen keken er blij. Er straalde weinig vrolijkheid van af. Ja, de verkopers, die straalden. En ze gooiden er nog een schepje bovenop als ze zagen dat zich weer een klant aandiende. En mijn grote groep vrienden, waarvan er elf van de twintig nog nooit op een kerstmarkt waren geweest. Die waren ook vrolijk. Die dansten in de glühwein tent - als enigen - en die genoten van alle gekke etenswaren en snuisterijen. Maar die waren dan ook nog nooit op een kerstmarkt in Duitsland geweest.

dinsdag 29 november 2011

Tijd

De tijd lijkt soms te vliegen. Of voort te daveren. Te verdwijnen in een zwart gat. Opgeslokt te worden door ondefinieerbare 'dingen'. Onopgemerkt voorbij te glijden. Zich te verstoppen om ongezien weg te glippen. De tijd gaat, met andere woorden, te snel. Veel te snel. Zodat uren overgaan in dagen, en dagen opeens weer weken geleden zijn.
Drie jaar lang heb ik met grote regelmaat mijn gedachten opgeschreven. De afgelopen maanden heb ik ze alleen maar kunnen denken. Omdat de tijd om ze op te schrijven zich niet aandiende. Of omdat ik de tijd er niet voor nam. Want dat is het natuurlijk ook met tijd: je kunt hem ook nemen. En dan is hij er misschien wel.
Zo nam ik de tijd om naar Berlijn te gaan. Om te werken. Om met vrienden naar de film te gaan. Koffie te drinken. Me te laten inspireren. In theaters te zitten. Ik nam, met andere woorden, de tijd om de dingen te doen die ik wilde. En schrijven hoorde daar even niet bij.

En toch is dat niet helemaal waar. Want ik schreef wel. In mijn hoofd. Een hele rits schrijfsels wacht nog steeds op het moment dat ze zichtbaar voor me op het scherm zullen verschijnen. Eens in de zoveel tijd weten ze zich een weg naar voren te dringen, en doemen ze ineens weer op in mijn gedachten. Als ze geluk hebben verworden ze tot een paar woorden in een boekje, die ooit moeten leiden tot een verhaal. Maar in dat boekje staan ze dan weer in lange rijen van andere gedachten die zich ook zo wisten te manifesteren, en die net zo belangrijk zijn, en dus net zo hard om aandacht schreeuwen. En in de tussentijd schrijdt de tijd weer met grote passen vooruit en is er weer een week voorbij, waarin nog steeds geen gedachten uitgeschreven zijn, en waarin de rij met uit te schrijven schrijfsels weer is gegroeid door meegemaakte avonturen.

En dan is er opeens soms iets dat je doet realiseren dat je toch wel echt zelf de tijd moet nemen, en dat die tijd nu is. De inspiratie is deze keer niet een boek van Eckhart Tolle, of een TED Talk over nuttige tijdbesteding. De inspiratie komt van Woody Allen, en zijn prachtige laatste film, Midnight in Paris. Waarin het verlangen naar andere tijden op magische wijze werkelijkheid wordt, maar waarin het heden uiteindelijk lijkt te winnen. Parijs in het Fin de Siecle, of in de twintiger jaren, toen alles nog goed was, tegenover het Parijs van nu. Niet minder goed, wel misschien minder romantisch. Omdat uiteindelijk altijd weer mensen naar vervlogen tijden verlangen. Twee dagen voor het zien van de film liep ik in het Van Gogh Museum, en keek ik naar schilderijen uit diezelfde periode. Zag ik hoe Van Gogh in Nederland nog donkere, grauwe appels schilderde, om twee jaar later, beinvloed door precies datzelfde Parijs, opeens uit te barsten in kleur en gevoel.

Het is tijd om weer aan de slag te gaan. Om te kiezen voor de dingen die belangrijk zijn. Tijd om te schrijven. Om te delen.



maandag 3 oktober 2011

Protest

Ik fiets door Berlijn. Het is warm, de zon schijnt fel, en ik ben al uren op zoek naar de perfecte plek om koffie te drinken en te lezen. Ik fiets langs enorme gebouwen die herinneringen met zich meedragen die ik niet zelf heb beleefd. De Reichstag, de Brandenburgertor. Heel Oost Berlijn. Ik stop bij Topographie des Terrors, een laaggelegen gang, waar ooit de hoofdkwartieren van o.a. de SS en de geheime Staatspolitie stonden en waar nu de restanten van de muur nog als stille getuigen ons laten herinneren. Een paar straten verderop dwaal ik door het doolhof van pilaren van het Holocaust Monument, waar soms stilte lijkt te heersen, tussen de zware betonnen blokken. De dagboeken en brieven die beneden te lezen zijn roepen bekende beelden op die nog steeds intrigerend, misselijkmakend, verontrustend zijn.

Wanneer ik later op een terras in de zon zit, verdwijn ik in de wrange wereld van José Saramago, die in zijn boek De Stad der Blinden beschrijft hoe na een onverklaarbare blindheidsepedimie in eerste instantie de regering, en vervolgens de massa reageert. De nare, vernederende en heftige wereld die hij beschrijft doen de zon vergeten. De angst die regeert en die onmenselijk gedrag zonder problemen accepteert, de macht die zo snel mogelijk wordt misbruikt door een ieder die haar in handen heeft, de onverschilligheid en het keiharde geweld dat mensen zonder problemen toepassen wanneer het er blijkbaar echt op aan komt, het is allemaal weinig hoopgevend. De weinige pogingen tot mededogen kunnen niet op tegen de narigheid die door de massa niet alleen wordt geaccepteerd, maar ook toegepast. Het is ieder voor zich.

Als ik even later online ga zie ik de beelden van New York. Massa's mensen die hun stem laten horen, opkomen tegen systemen die groter zijn dan zij. Terwijl de media nog zwijgt zie ik hoe politieagenten met stokken inslaan op omstanders, hoe mensen over de grond gesleurd worden, hoe de massa met één stem spreekt. Ik ga op zoek naar berichtgeving, maar stuit steeds weer op persoonlijke video's en verhalen, die via moderne media hun weg naar de rest van de wereld zoeken.

Achteraf is het altijd makkelijk praten, over bijvoorbeeld wie de slechterik is en wie de held. Zo krijgen we het ook immers voorgeschoteld in films. Ik vraag me af hoe tijdens de tweede wereldoorlog het verzet werd gezien door de massa. Als helden? Of als gekken, die niet wisten waar ze mee bezig waren? Ik denk aan de vrouw die tegen het machtsmisbruik opkomt in De stad der blinden: de enige die nog kan zien wanneer de rest al blind is. Waar de protesten in het Midden Oosten werden gezien als een nieuwe, frisse en hoopgevende beweging, wordt vooralsnog hier nergens over gesproken. Eerst moeten duizenden mensen worden gearresteerd, geslagen en vernederd worden voordat het verhaal wordt opgepikt. Pas als meer mensen de straat op gaan, als wereldwijd mensen hun stem verheffen, berichten de media. Ik zou willen dat ik alvast kon terugkijken op deze tijd.

dinsdag 27 september 2011

Zweten

De ramen van een oude caravan beslaan, uit het kachelpijpje op het dak komen kleine rookwolkjes. Twee grote billen schuren tegen het raam naar beneden, een brede rug leunt er tegenaan. In het volgende shot zitten twee naakte mannen naast elkaar in de caravan. Ze zwijgen, kijken voor zich uit.

Nee, dit is het niet het begin van een al dan niet ranzige pornofilm. Het is een scène uit The Steam of Life, een documentaire over Finse mannen in sauna's. Waarom Finse mannen? Omdat er al genoeg films zijn over vrouwen in sauna's, en omdat de makers wilden aantonen dat Finse mannen ook gevoelens hebben, en niet alleen stug en gesloten zijn.

Een ex-militair praat over zijn stukgelopen huwelijk, een gescheiden vader huilt omdat hij zijn dochter niet ziet opgroeien, een ex-crimineel vertelt over hoe hij bijna ten onder ging, maar uiteindelijk zijn leven wist om te draaien. In het volgende shot wast hij een van zijn drie zoontjes, die naast hem in de sauna zitten. Een oude man leeft met zijn beer, een houtwerker vertelt over hoe zijn stiefvader hem mishandelde. Het is een opeenvolging van treurige levensverhalen, verteld door stoere mannen, die elkaar niet in de ogen kijken, maar wel onhandig een arm over een schouder slaan, wanneer de ander in stilte huilt. En in de tussentijd blijven ze water op de hete kolen gooien. Met emmers, bakjes, soeplepels.

De zware gesprekken in kleine hokjes worden afgewisseld met adembenemend mooie Finse landschappen: enorme bossen, diepblauwe meren, weilanden. De seizoenen veranderen, maar de stilte van de natuur is steeds weer aanwezig. De sauna's zijn de bouwsels in deze landschappen, en worden gebouwd in caravans, tenten, en zelfs een oude telefooncel die beslagen aan de kant van de weg staat.

Twee zwervers lopen met hun hele hebben en houden door de straten van Reykjavik. Ze gaan een gebouw binnen, stropen tientallen lagen kleren van hun lijf en wassen elkaars rug voordat ze de openbare sauna in gaan. Zelfs als je niets hebt, is er in Finland stoom.

maandag 5 september 2011

Kwartier

Het concept is simpel, het idee inspirerend, maar dan komt de uitvoering.
Zet een aantal mensen, die elkaar al dan niet kennen, een weekend bij elkaar en geef ieder van hen een kwartier om iets te vertellen.

Ooit had ik een gesprek met een vriendin over hoe weinig we eigenlijk wisten van het werk van elkaar en onze vrienden. Na onze studietijd, waarin we veelvuldig spraken over colleges en onderzoeken, raakten we steeds verder verwijderd van de inhoudelijke gesprekken over dagelijkse bezigheden. Vroeger zaten we vaker in de kroeg en hadden we minder overige bezigheden overdag, waardoor het logischerwijs na tien bier uiteindelijk ook over scriptieonderwerpen ging. Daarna verdwenen we allemaal in verschillende richtingen en verstopten we onze achter deuren en muren, om achter computers werk te doen dat we weliswaar leuk vonden, maar waarover we niet uitgebreid praatten. De meeste van mijn vrienden weten dat ik 'iets' doe bij CREA, en dat ik onder andere zomercursussen organiseer waarvoor ik dan lange uren maak. Wat die organisatie precies inhoudt, en wat ik in die lange uren doe, dat weten er maar weinig. Net zoals ik van hen weinig weet. Wat doet M. als assistent van een hoogleraar? En waarom reist J. in opdracht van een mediainstituut Europa door? Ik weet dat V. veel online moet doen, maar wat precies? En S. doet onderzoek én begeleidt mensen, maar waarin? Het idee was geboren om eens samen te komen om daarover te praten. Maar hoewel de interesse er nog steeds is, was er blijkbaar geen energie om het daadwerkelijk te organiseren. En welke mensen zou je dan uitnodigen? Wil ik weten wat de broer van L. doet op zijn middelbare school?

Uiteindelijk evolueerde het idee in het hoofd van een andere vriendin tot Fifteen Minutes of Fame. Een weekend waarin je een kwartier krijgt om te praten over wat je leuk vind. Dat kan je werk zijn, maar ook het boek dat je onlangs gelezen hebt, of je favoriete spelletje op de computer. De enige restrictie is dat het in vijftien minuten moet.

Afgelopen weekend vond de derde editie plaats, met twaalf mensen, waarvan er niet één iedereen kende. Met vreemden, kennissen en bekenden dronken, dansten en aten we. We zwommen in de zee, we liepen door de duinen. Maar vooral luisterden we, en we anticipeerden. We dachten mee met projecten die meer vorm moesten krijgen, we leerden associatief denken. We beoordeelden blind verschillende producten op smaak in plaats van merk, we improviseerden, we discussieerden.

Wat bijzonder is aan deze weekenden is dat iedereen praat over zijn of haar passie, of over iets dat hen bezig houdt. De presentaties zijn ongelofelijk verschillend, maar ze zijn de opmaat tot verdere gesprekken in de overige tijd. Ook al kenden we elkaar niet allemaal in het begin, we gingen weg als vrienden. Omdat, wanneer iemand iets persoonlijks deelt en zich kwetsbaar heeft opgesteld, je daarna geen vreemden meer kunt zijn.

Ik hou ongelofelijk veel van groepen bij elkaar brengen en van delen met anderen. En ik ben vriendin A. dan ook meer dan dankbaar dat zij uiteindelijk de daad bij het woord heeft gevoegd en deze weekenden is gaan organiseren. Nu zijn we weer los van elkaar, en kunnen we dankzij de sociale media op de hoogte blijven. En wat blijkt? Nu schrijven we erover en gaat het delen door.

maandag 22 augustus 2011

Sociale Netwerk Vrienden

Mijn vriendenkring is op vele manieren op te delen; op basis van de lengte van de vriendschap, de frequentie waarin we elkaar zien, de mate van overeenkomstige levensinstelling. De indeling die zich echter steeds sterker lijkt af te tekenen is die van de sociale media. Betrekkelijk weinig mensen in mijn omgeving zitten nog niet op een van de sociale netwerk sites. De weinige vrienden zich hiervan distantiëren, brengen dat vaak als statement. 'Ik doe niet mee aan die onzin', of: 'Ik ben te druk voor dat soort dingen'. Ik vind het allemaal best en heb er weinig problemen mee. Toch vallen me steeds weer twee dingen op.

Ten eerste zijn de mensen die zich zogenaamd afzetten tegen 'dat soort dingen' vaak mensen die niet voor hun werk achter de computer zitten. Het zijn vaak docenten op middelbare scholen, kunstenaars die door het land reizen of artsen die dagelijks met hun neus in de patiënten statussen zitten. Mensen die minimaal acht uur per dag achter hun computer werk doen dat vooral gegenereerd wordt door te ontvangen en te verwerken emails, worden graag afgeleid door status updates van vrienden. Hoe ethisch het is om in de baas zijn tijd je eigen mail te checken is natuurlijk weer een andere kwestie. Feit is dat het betrekkelijk makkelijk is om Facebook, Twitter of Hyves in een ander tabje open te hebben staan.

Ten tweede, en dat vind ik eigenlijk veel belangrijker, brengt (in mijn geval) Facebook me oprecht veel plezier. Sterker nog: ik vind dat mijn leven er rijker van is geworden. Natuurlijk ben ik niet geïnteresseerd in iedere gevoelsveranderingen van alle al dan niet echte vrienden die ik online heb. (Het is overigens een sociaal experiment op zich om te onderzoeken welke maatstaven mensen hanteren om wel of niet met anderen bevriend te raken.) Ik vermoed ook niet dat al die mensen hunkerend zit te wachten op al mijn dagelijkse beslommeringen die ik besluit te willen delen.
Maar ik vind het wel fijn om op een uiterst makkelijke manier op de hoogte te blijven van het wel en wee van mensen die ik echt niet allemaal op een regelmatige basis kan zien. Door hun statussen te lezen en hun vakantiefoto's te bekijken kan ik hun levens een beetje bijhouden en zijn de halfjaarlijkse bijpraat gesprekken een stuk geanimeerder. Natuurlijk vervangt dit niet de gesprekken in de kroeg, maar het voegt gewoon iets toe.
Daarnaast heb ik de afgelopen jaren me kunnen wentelen in de cadeautjes die mijn Facebookvrienden me geven: grappige, ontroerende en prachtige filmpjes, links, websites en gedachten, die ze posten en waarvan ik kan besluiten om ze aan te klikken of niet. Ik heb nieuwe bands ontdekt, inspirerende sites gevonden en al heel vaak heel hard moeten lachen om gekke of bizarre opmerkingen, discussies of links.

Met andere woorden: ik vind Facebook een cadeautje. En daar maak ik graag soms wat tijd voor vrij.











donderdag 28 juli 2011

Verslaving

Op de middelbare school stonden de stoere jongens en meisjes in de pauze buiten onder een afdakje te roken. Mijn vriendinnen en ik zaten binnen, enkele tafels verwijderd van de nerds en besloten dat roken voor sukkels was, onszelf daarmee boven beide uitersten verheffend. Vlak voor mijn achttiende verjaardag verhuisde ik naar Amsterdam en een oudtante verweet mijn vader dat hij zijn enige dochter naar het Nederlandse Sodom en Gomorra liet gaan. Haar voorspelling dat ik binnen enkele jaren achter een raam als heroïnehoertje mijn geld zou verdienen, is tot nu toe nog niet uit gekomen. Tijdens een ongelofelijk vage avond tegen het einde van mijn studie at ik twee plakken space cake die me zo van de wereld brachten dat ik jaren lang ieder gebruik van drugs vermeed. Toen ik in een verlate puberale recalcitrantie alsnog op mijn tweeëntwintigste wilde gaan roken, kon dat alleen wanneer het gepaard ging met alcohol en andere rokers.

Enkele jaren later ben ik een gezelligheidsroker, die zich soms laat overhalen tot softdrugs gebruik (maar dat laatste alleen in het buitenland) en die enkele avonden per week bier, wijn of whisky drinkt. Alles met mate. Met andere woorden: ik heb mijn best gedaan, maar ik ben niet echt verslavingsgevoelig. Zelfs suiker kan ik best laten staan, zo blijkt de laatste weken.

Waar ik echter totaal geen maat weet te houden, waar ik de controle volkomen verlies en mezelf steeds weer terug vind als een kwijnend hoopje, verlangend naar meer, overgeleverd aan een oncontroleerbare drang die iedere cel in mijn lichaam voelt, is als het gaat om series. Televisieseries. Die ik dan weliswaar niet op televisie, maar via internet bekijk, op ieder door mij - of beter: door de drang in mijn cellen - gewenste tijdstip. Meestal tot midden in de nacht. Ik lever mijzelf, mijn tijd en mijn intellect weerloos over aan verhaallijnen, personages en clifhangers. Eens in de zoveel tijd laat ik me gaan en kies ik wat ik noem een 'slechte serie', die niet echt ergens over gaat, maar heerlijk is om gedachtenloos te kijken, als Sex and the city of Grey's Anatomy. Verraderlijker zijn de zogenaamde 'goede series', waarin goed geacteerd wordt, met spannende verhaallijnen, en geweldige personages. Zoals Six Feet Under, Dexter. of In Treatment.

En nu is er de West Wing. De laatste aflevering werd in 2006 uitgezonden en al die tijd kon ik het verlangen weerstaan. Wetende dat ik mezelf moest beschermen, weerde ik alle informatie over hoe goed hij was af. Ik hield dvd sets uit mijn huis, en zelfs toen ze toch binnen kwamen, stopte ik ze ver weg, achterin diepe kasten. Tot ik enkele weken geleden in een opruimwoede het stof van de dvd set afblies als een alcoholist met een goede fles wijn zou doen. Ik keek er even naar, hield de set vast, las het etiket en haalde de eerste dvd uit het hoesje. Huilend stopte ik hem in mijn computer, wetende dat ik verloren was.
Nu, halverwege seizoen vijf van zeven, heb ik een structureel slaaptekort, zit ik zonder sociale contacten omdat ik zo snel mogelijk naar huis wil om verder te kijken, droom ik over mijn nieuwe vrienden CJ, Toby, Josh en Donna, en probeer ik in ieder gesprek het onderwerp slinks via de Amerikaanse politiek op de serie te brengen. Mijn wereld bestaan uit de West Wing en ik weet dat er een einde aan gaat komen, dat ik weer naar buiten moet, en de realiteit onder ogen moet zien.
Tot die tijd zeg ik: Bartlet for president!

zondag 24 juli 2011

De Helling

Toen de pont de wal raakte klonk vanuit de verte een zachte beat. Verder klonk alleen het geluid van de regen die de hele middag al onophoudelijk uit de lucht kwam vallen. Het terrein op de helling werd omgeven door hekken, met aan één kant een opening voor een ingang waar beveiligingsjongens tassen checkten en bezoekers controleerden op het al dan niet meesmokkelen van drugs.

De helling, waar ooit schepen van te water gleden, was dit keer het decor voor Henk op de Helling. Waar op andere dagen duizenden koopjesjagers langs rommelmarktstandjes struinen, of waar eens per jaar prachtige voorstellingen tijdens het Over 't IJ festival spelen, stonden nu dj sets, witte partytenten en een rij bars, waar bier, wijn, cola en wodka te krijgen was. In een hoekje bovenop de helling stond een lange rij mensen te wachten tot de gegrilde groentespiezen, hamburgers en pastasalades klaar waren.

Los van mijn drijfnatte kleren, waardoor ik eigenlijk niets liever wilde dan onder een warme douche staan, hield ik absoluut niet van de dreunende dance en trance muziek die kenmerkend was voor dit festival. Ik vroeg me af waarom ik me had laten overhalen. Of, waarom ik op de uitnodiging in was gegaan en mijn warme huis verlaten had voor deze kou en narigheid. De reden was de nieuwe vriend van een vriendin. Want los van de muziek, presenteerde Stichting Henk ook kunstprojecten, waaronder Den Visscher van Piet. Piet, die rondliep in een groen visserspak, zijn blonde haar in een staart gebonden. Waarvan andere bezoekers vermoedden dat hij Henk was. Piet vertelde zijn verhaal in een bootje, waar je met een lange ladder in moest klimmen, waar maximaal zeven mensen met opgetrokken benen op kussens konden zitten, luisterend naar zijn verhaal. Een van de luisteraars was Paul van twintig, die mij met grote pupillen aan keek en een onduidelijk verhaal vertelde over de passie in zijn leven, die bestond uit feesten, drinken en pillen.



Naast het bootje van Piet stond een poëziepodium, waar schrijvers en dichters onverstaanbaar in een microfoon hun gedachten mompelden voor een overvolle tribune van mensen die dekking tegen het weer zochten, en die alles behalve poëzie wilden horen. "Ik vind dit zo vermoeiend," zuchtte het meisje naast me tegen een vriendin. Beide zaten ze in korte rokjes, met t-shirts en opgestoken haar aan een groentenspies te knabbelen. Terwijl harde windvlagen de regen over de helling joegen, sprongen ze op en liepen richting de partytenten. Ik zocht mijn heil in het bootje van Piet, waar mijn kleren opdroogden terwijl we juttersbitter dronken. Zoals het hoort op een boot.

dinsdag 19 juli 2011

Freddy

Achteraf gezien was hij waarschijnlijk voor mij de eerste in een rij van homo- en biseksuele artiesten waar ik genadeloos voor viel. Alhoewel het vrijwel onmogelijk is dat niet minstens één van de New Kids on the Block, waar ik daarvoor fan van was, ook op mannen viel, was hij toch de eerste waarvan het redelijk duidelijk was.
Het was niet zozeer zijn uiterlijk, en eigenlijk ook niet zijn kledingkeuze die het hem voor mij deden. In eerste instantie was het zijn dood. Mijn fascinatie begon namelijk pas bij de aankondiging van zijn overlijden, dat natuurlijk nogal heftig was, en het kwetsbare lied dat vlak daarna werd uitgebracht. Dat raakte mijn gevoelige pubersnaren. Wat overigens ook verklaart waarom zijn uiterlijk - haar, gebit, graatmagere lijf - wellicht niet direct op mij werkte. Ik was dertien en had nog niet zo'n duidelijk beeld van wat je met zo'n mannenlichaam zou kunnen doen.

Wat het wel was, was zijn ongelofelijke uitstraling. Zijn podiumgedrag, zijn ongegeneerde drang om aanwezig te zijn, om zich te uiten, om te laten zien wie hij was. Door ieder uiterlijk middel te gebruiken dat hij kon vinden, strakke pakjes, vlaggen, bontjassen, fakkels. En zijn muziek. Of de muziek van zijn band. Want er stonden ook nog drie andere artiesten achter hem, alhoewel zij pas in de schijnwerpers kwamen te staan toen hij vóór hen verdwenen was. Op mijn lijstje 'dingen die ik nog wel eens had willen doen' staat een stadion concert van Queen toch wel erg hoog genoteerd.

Eens in de zoveel tijd geef ik me weer tijdelijk over aan hun opzwepende gitaar- en drumsolo's, en vooral aan Freddy stem. In mijn korte bestaan als Queen-fan heb ik gelukkig ook de wat minder bekende liedjes beluisterd, zoals het geweldige Breakthru, You take my breath away, en Love of my life. Maar uiteindelijk zijn het toch ook wel de bekende nummers die ik dagenlang in mijn hoofd met me mee draag: Killer Queen, Fat bottomed girls, Somebody to love en als topper onderstaand nummer, dat zo ongelofelijk lekker swingt op de fiets.

Nu ik na jaren eindelijk openlijk durf uit te komen voor mijn voorkeur voor homoseksuele zangers, durf ik ook te zeggen dat ik Freddy's pakjes eigenlijk best opwindend vind, dat die tanden eigenlijk ook wel wat hebben en dat ik met liefde door zijn haar had gewoeld.

RIP Freddy.


donderdag 14 juli 2011

Het vermoeden dat we door moesten

We verzamelden naast een van de grote loodsen, aan de rand van het festival, de smaak van vegetarische roti met bier wegwerkend met een pepermuntje. Toen een stem, en de groep die zich verzameld had kwam in beweging. We kriskrasten langs andere bezoekers en lieten het festival achter ons. De waterkant van Noord, het onontgonnen terrein, de nieuwe gebouwen die herrezen waren uit het zand. De groep slingerde zich langs de stenen kantoren. Aan het einde van een parkeerterrein, waar een net niet doodlopende weg een bocht maakte, stond een overdekte tribune.

We namen plaats, zetten op commando de koptelefoons op. We hoorden nog niets en keken uit op een lege straat. Net toen de man naast mij olijk riep dat hij de muziek zo goed vond, hoorden we het geluid van de zee. Knisperende voetstappen in grind. De straat voor ons bleef leeg. Een stem neuriede zachtjes in onze oren, in de verte stopte een auto bij de kruising en trok langzaam weer op. Iedereen hield zijn adem in. Hoorde dat erbij? De stem begon zacht te zingen, de voetstappen vermenigvuldigden. Twee mannen liepen. Zuchtten dat het nog zo ver was. Dat de zee achter hen lag. Dat ze niet meer wisten waar ze vandaan kwamen. Voor ons vulde de leegte zich met betekenisvolle toevalligheden. Auto's. Wandelaars. Fietsers, die met een verbaasde blik richting de bocht fietsten, kijkend naar de honderd mensen die naar hen keken.

In de verte werden twee figuren zichtbaar, die zich gedroegen zoals de stemmen in ons hoofd het voorspelden. 'Ik ga denk ik even liggen." "Dan loop ik heen en weer." Minimalistische teksten in een bijna wijds landschap. Een vrouwtje liep het beeld in, haar kleren verrieden dat ze bij het verhaal hoorde. Ze deed wat dingen. De mannen kwamen dichterbij. Het vrouwtje werd verstaanbaar door hun aanwezigheid. De zee ruiste door in onze oren.

Maar ze moesten door. Die mannen. Dus het vrouwtje bleef achter, en de mannen verdwenen. In de stilte die aan het applaus vooraf hoort te gaan, de zucht van het publiek voordat het uit het verhaal stapt en de handen in elkaar slaat, liepen twee voorbijgangers het beeld in. Net op tijd om een enorm applaus te mogen ontvangen.

Bambie, een van de beste theatergezelschappen in Nederland, speelt op het over 't IJ Festival. Mis het niet!

donderdag 30 juni 2011

Kunst in beeld

Films over kunst. Is dat leuk? Werkt het? Kan je andere kunstvormen visualiseren, en sterker nog, er een interessant verhaal over vertellen? Zonder in een enorme discussie te belanden zou ik graag willen pleiten dat het zeker kan. En dat, hoewel niet iedere poging geslaagd is, er prachtige voorbeelden uitkomen die mijn pleit beargumenteren

Om te beginnen met Untitled. Een ietwat bizarre film, die overigens al in 2009 in de V.S. uit kwam en er twee jaar over gedaan heeft om de Amsterdamse Art House scene te bereiken, over twee mislukte New Yorkse kunstenaars. Alhoewel mislukt wellicht niet het juiste woord is. Wanneer ben je mislukt? Adrian componeert avant-gardistische muziek, waarbij tegen emmers geschopt wordt, klarinettisten hoog gillen en blaadjes papier doormidden gescheurd worden. Zijn broer Josh maakt schilderijen met stipjes en cirkels. Zijn werk hangt overal. In hotels, in banken, op allerlei plekken waar niemand kunst verwacht, en waar niemand zijn werk als kunst ervaart. "Ik geef mezelf nog drie jaar, als ik het dan niet gemaakt heb", zegt Adrian -"dan neem je een baan," zegt zijn broer. "Nee, dan pleeg ik zelfmoord."
Wat zo fijn is aan Untitled, zijn de nietszeggende conversaties, de semi intelligente opmerkingen, de hooghartige critici, die allemaal precies laten zien wat je stiekem al de hele tijd vermoed: die hele kunstwereld is een grote schijnwereld, waarin niemand echt weet wat hij doet. Met als ultieme bewijs de kunstenaar die de wereld om hem heen tot kunst verheft. Door er naamplaatjes op te plakken die precies zeggen wat het is. "Muur die ruimte omgeeft". "Potlood" In plaats van de wereld naar het museum te brengen, zoals Duchamps dat destijds deed, wordt de wereld een museum.



Daarna zag ik Howl, over het gedicht dat Allen Ginsberg schreef in de jaren vijftig. Na publicatie veroorzaakte het expliciete taalgebruik zoveel commotie dat de uitgever voor de rechter gedaagd werd voor obsceen taalgebruik. Naast het verhaal over Ginsbergs leven, gefilmd in een documentaire-achtige stijl in zwart wit, wordt het proces over het boek getoond in kleur. De nonchalance en artisticiteit van een kunstenaar en zijn wereld, tegenover de officiele, 'grote mensen' wereld, waarin gediscussieerd wordt over termen als context, intentie en nut - in kunst. Moet een dichter bepaalde woorden gebruiken, of zouden zij ook zonder enig probleem vervangen kunnen worden door een beleefder synoniem? Het ritme van de film komt echter van de voordracht van Howl door de acteur die de dichter speelt, in een kleine rokerige ruimte, in het bijzijn van zijn vrienden, zich nog onbewust van de impact die zijn gedicht later zal hebben. Zijn woorden, die in de andere fragmenten meer betekenis krijgen, de snelheid, het volume. En daarnaast de animaties, die het verhaal van zijn gedicht nog duidelijker maken.

Waar Untitled me blij maar lichtelijk gedeprimeerd maakte door de nietszeggendheid van kunst, was Howl inspirerend, opwindend en uitdagend. Dat kunst een individuele ervaring is bleek uit het feit dat mijn filmgenoot tegen het einde van de vertoning van Howl alvast een sigaretje ging draaien. Toen ik daar verbaasd naar wees, fluisterde hij: "ik denk dat hij zo afgelopen is."

maandag 27 juni 2011

Rabat

Hoewel ik de Nederlandse film een warm hart toedraag, en zeker de Nederlandse Documentaire erg lief heb, ben ik als het er echt op aankomt nogal sarcastisch. Ik ben te kinderachtig om me voor het verhaal over feitelijke inconsequenties heen te zetten, waardoor ik vaak niet echt lekker in de film kom, en vaak heb ik de desbetreffende acteurs al zo vaak gezien dat ik blijf denken: 'hè, die Barry wordt er toch ook niet jonger op' of 'wat doet Carice nu eigenlijk? Dat laatste zou ook zeker als argument tegen Films in het algemeen kunnen gelden, maar ik wijt het aan de grootte - of eigenlijk de on-grootte - van Nederland. Want bij Johnny Depp of Heath Ledger heb ik het bijna nooit.
Het zou ook aan het genre kunnen liggen. Bij de weinige rom-coms die ik zie, is Julia Roberts ook gewoon altijd de vrouw met de vreemde lach en niet het verlegen, lacherige of juist deze keer strenge personage dat bij de desbetreffende film hoort. In Nederland is de Filmwereld zo klein dat alle genres steeds door dezelfde acteurs gespeeld worden.

Na Sonny Boy, de laatste Nederlandstalige film die ik zag, was ik er eigenlijk wel klaar mee. Dus toen de reclamecampagne voor Rabat begon, voelde ik weinig tot geen drang om snel naar een filmhuis te fietsen om deze nieuwe Nederlandsche Paarl te gaan zien. De hip-heid van Habbekrats doet me weinig, en vaag drongen zich vlagen van die andere hippe film aan me op, die me zelfs voor een tijdje uit de filmzalen had gehouden (of in ieder geval het Ketelhuis, waar ik uit frustratie zo uitgebreid commentaar had zitten leveren dat ik eigenlijk niet meer terug durfde).



Toch bracht het lot mij en Rabat bij elkaar. Op een bijzonder goede avond, die begon met de vegetarische variant van shoarma, en een Marokkaanse muntthee om in de stemming te komen. In het begin zat ik met ingehouden adem te kijken. Het slechte geluid en de 'echte' Marokkaanse accenten maakten het niet makkelijk om het verhaal te volgen. Maar toen de jongens eenmaal op weg waren, en zich blijkbaar al doende realiseerden dat ze het geluid moesten verbeteren, en je langzaam went aan de ingeslikte letters en vreemde klemtónen, toen werd het een geweldige roadmovie!

Met prachtige beelden, werkelijk, prachtig, en geweldige scenes. Met karakters waar je langzaam verliefd op word, en met de Grote Thema's, die er toch bij horen.

Ik heb me anderhalf uur enorm vermaakt. Blijkbaar kan het wel, geweldige Nederlandse Films maken. Of het dan toevallig is dat juist deze film gemaakt is met een minimaal budget, veel liefde, en weinig pretenties, dat is dan wellicht een interessante vraag die ten tijde van marsen voor beschaving gesteld mogen worden. Kunst die gemaakt moet worden vindt altijd een weg. He man, je weet toch!

maandag 20 juni 2011

Legitimiteit

Ik ben van mening dat in onze maatschappij het vooral draait over welke opleiding je gedaan hebt en wat voor werk je nu doet.
Wanneer je iemand voor het eerst ontmoet is de eerste vraag meestal: wat doe jij? Het is dan de bedoeling dat je die vraag beantwoordt met je professie, niet met waar je op dat moment mee bezig bent (nou, ik schud net jouw hand, we staan te praten, ik ben op een feestje, ik zit in de kroeg.) Met het uitspreken van je beroep vertel je wie je bent. 'Ik ben dokter' betekent: ik ben welgesteld, heb een leuk huis en een abonnement op art en auto, ik heb uithoudingsvermogen en kan heel goed vreemde Latijnse woorden onthouden, op mijn middelbare school koos ik voor schei- en natuurkunde en als het nodig is kan ik iemand in nood redden. 'Ik ben verkoopmedewerkster bij de Albert Heijn' kan meerdere dingen beteken, als je op doordeweekse dagen overdag werkt ben je waarschijnlijk een vrouw van middelbare leeftijd die haar oudere echtgenoot opeens thuis had zitten toen hij met pensioen ging en daarom zelf maar de deur uit vluchtte, of je bent een tienermeisje dat op zaterdag als bijbaantje haar vriendje wat biertjes minder afrekent zodat je je straks goed kunt inzuipen voor het uitgaan.

Ik weet dat ik niet bescheiden om ga met vooroordelen.
Maar het zijn dezelfde vooroordelen die mij tergen wanneer ik probeer te definiëren wat ik doe, en dus wie ik ben. Op mijn aarzelende antwoord dat ik "later als ik groot ben" films wil maken, is namelijk de standaard vervolgvraag: "oh, leuk, heb je de film academie gedaan?'. Nee, lieve mensen, ik heb niet de film academie gedaan. Ik heb namelijk al veel te lang gestudeerd en sindsdien te lang gewerkt om daadwerkelijk terug te willen naar vier jaar in de schoolbanken met negentienjarigen. Dit antwoord helpt het gesprek niet. Het helpt ook niet om de diepte in te gaan en uit te leggen dat het nou precies deze legitimatie van mijn poging tot creativiteit is, die mij al jaren bezig houdt, en me ervan weerhoudt daadwerkelijk ervoor te kiezen en te zijn wie ik zou willen zijn.

Van een goede vriend uit New York - de stad waar iedereen kan zijn wie hij wil zijn, en waar mensen op mijn eerste antwoord (later, groot, films maken) als eerste reageren met "oh, wat leuk, wát voor films?", waarna een inhoudelijk gesprek over mijn favoriete onderwerp kon volgen - leerde ik dat ik de Nederlandse variant kort moet beantwoorden. 'Nee, ik heb het anders aangepakt. Ik ben gewoon begonnen met films maken."

Ik werd dan ook enorm geïnspireerd door het onderstaande filmpje, waarin Shea Hembrey vertelt over de honderd kunstenaars die hij bedacht. Na het idee opgevat te hebben om een internationale kunst expositie te organiseren, realiseerde hij zich dat het best ingewikkeld was om al die artiesten te benaderen, waarna hij zelf de kunstenaars bedacht en hun kunst maakte.

Als je maar overtuigend genoeg bent en er zelf in gelooft, ik denk dat het daar uiteindelijk op neer komt. Dus vanaf nu, als iemand mij vraagt wat ik doe: ik maak films, ik schrijf en ik maak collages. En jij?

donderdag 16 juni 2011

Metro Muzikanten

New York is muziek. De stad zelf heeft een ritme, een klank, een swing. Wanneer je voor het eerst aankomt wil je dansen, want je bent in New York! Na herhaaldelijk bezoek zie je langzaam dat iedere wijk zijn eigen melodie heeft, zijn eigen genre. Times Square en omgeving voelt als een muziekstuk van Philip Glass, met een drukke, zich immer herhalend opbouw van geluid, die soms even weg lijkt te zijn maar die daarna net zo hard weer terug komt. Chelsea klinkt als de oude standards van Sinatra en Garland, swingend, verlangend, hitsig soms. Williamsburg barst van de moderne pop terwijl de Upper West Side een ietwat stijf opera tintje heeft. En Bed Stuy is natuurlijk rap. Rap 'n Roll.

Maar ook onder de stad is muziek. Overal. Je kunt bijna geen metrostation instappen of je hoort wel een instrument of een stem die de nauwe gang vult. Overal tonen muzikanten, wanna be muzikanten en ware geniën hun kunsten in de hoop een paar dollars te verdienen. Sommigen doen het naast hun 'normale' bestaan, anderen leven van hun ondergrondse bestaan.

De metro muzikanten vormden een sound track tijdens mijn reizen door de stad. Op weg naar mijn werk zat de tandeloze Cubaan, die met de muziek van zijn thuisland de dag een melancholisch tintje gaf. Aan het einde van de dag verdreven de twee hipster jongens mijn honger met hun vrolijke liedjes, de drummer op 6th Ave en 14st die je al van ver kon horen vulde de metrogangen tot aan Union Square met zijn improvisaties en Joe, die in het weekend op Metropolitan Station zat, vulde niet alleen mijn hart met zijn muziek maar zorgde onbewust tijdens een spontane jamsessie voor nog meer liefde.

Ik heb ze gefilmd, die metro muzikanten die New York nog meer kleur geven. Uren aan materiaal van mensen die met liefde hun passie staan uit te voeren, liggen te wachten om tot een verhaal gemonteerd te worden. Natuurlijk ben ik niet de enige die ziet wat ze doen. Het aantal filmmakers, wanna be filmmakers en geniën die net zo veel en meer materiaal hebben is ontelbaar. En hoewel ik natuurlijk graag de enige zou zijn geweest die dit idee had gehad (los van dat Hedy Honigman al jaren geleden de prachtige film Het ondergrondse orkest maakte), ben ik ook gaan zien hoe al onze verhalen samen het echte verhaal vertellen. Of op zijn minst in de buurt komen van het echte verhaal, dat bestaat uit al die verschillende verhalen van muzikanten, publiek en reizigers.

Een van de eerste filmpjes die ik maakte


Een film die nu gemaakt wordt over mijn New Yorkse vrienden:

Herzog

Jaren geleden zag ik tijdens een zaalwacht dienst bij het IDFA de film Mein Liebster Feind, van Werner Herzog over zijn relatie met de explosieve acteur Klaus Kinski. Herzog begint met zijn verhaal in zijn eigen jeugd, wanneer hij met zijn moeder in een kamertje in een huis in Munchen woont en Kinski een van zijn buren blijkt te zijn. Hun eerste kennismaking vindt plaats wanneer Kinski in een driftbui door het huis dendert en ongenuanceerd letterlijk met de deur komt binnenvallen terwijl de familie Herzog aan het avond eten zit. Jaren later vraagt hij de acteur, die bekend staat om zijn heftige uitvallen, om in zijn film Aguierre, der Zorn Gottes te spelen. In Mein Liebster Feind toont Herzog de gekte van een getalenteerd acteur, die hij bewondert, adoreert en haat. Een man die hem dood wenst wanneer het ontbijt in de Peruaanse jungle wederom pap blijkt te zijn, maar die hem ook lief heeft. De wrange vriendschap tussen de twee mannen ontroerde me, de gekte intrigeerde me.

Na het zien van deze film was ik dan ook Herzog verslaafd. Zijn vroege werk staat al jaren in mijn kast te wachten tot ik er echt voor kan gaan zitten, zijn latere films heb ik allemaal gezien. Steeds weer zoekt hij een passie, een gekte op, om gedurende de lengte van de film uit te zoeken hoe de persoon in kwestie nou in elkaar steekt. Uit duizenden uren materiaal schetste hij een prachtig portret van Timothy Treadwell in Grizzly Man. In Encounters at the End of the World gaat hij op zoek naar de drijfveren van de mensen die naar de Zuidpool trekken om daar te werken en te leven.



En nu is daar Cave of Forgotten Dreams, over de krijttekeningen in de grotten van Chauvet in Frankrijk. Ik had me er zo op verheugd. Veel films van Herzog kenmerken zich door zijn voice-over in een ongelofelijk charmant Engels met Duits accent. Hij geeft zijn films meer diepte door zijn eigen gedachtengang toe te voegen aan zijn beelden, waardoor je als kijker niet alleen de resultaten van zijn zoektocht ziet, maar ook de zoektocht zelf beter leert begrijpen.

Maar in deze film raakte hij me kwijt. Ik wilde wel, en misschien had de borrel die ik voor de film verlaten had ook zo zijn uitwerking, maar het lukt me niet om er in te komen. Hoewel de beelden prachtig zijn en Herzog en zijn team weer alles uit de kast hebben gehaald om de eeuwenoude twee dimensionale tekeningen tot leven te laten komen, raakte hij me deze keer steeds weer kwijt door zijn filosofische benadering van het geheel. De links die hij legt om zijn verhaal kracht bij te zetten gaan me te ver, de moeite die hij doet om het verleden te doen herleven is te groot. In dit geval had ik misschien - voor het eerst - iets minder van zijn zoektocht willen zien. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de tekeningen echt onwaarschijnlijk mooi zijn, en dat zijn driedimensionale weergave ervan ze tot hun recht laat komen.

De albino krokedillen op het einde van de film blijken gelukkig een ander verhaal te hebben dan wat Herzog in zijn film vertelt. En dat brengt me dan weer terug op waarom ik hem als filmmaker zo interessant vind: hij gebruikt alles om het verhaal te vertellen wat hij kwijt moet, ongeacht de waarheid:

Facts per se are not so interesting for me. Facts do not illuminate; they create norms. The Manhattan phone directory has 4 million entries which are factually correct, but as a book it doesn't really illuminate you. I've always said we have to look beyond realism, beyond facts. We have to dig into a deeper stratum of truth which is somehow deeply inherent in cinema but which is very hard to find and to create. I'm looking for moments that are somehow illuminating. In some of my films, I hope there are a few moments where you feel almost illuminated, like in a state of ecstasy, stepping out of yourself, beyond yourself and perceiving something which is only, in the case of cinema, possible in collective dreams.

En dat dan in dat geweldige charmante accent.

maandag 13 juni 2011

Geluk

Alles en iedereen lijkt tegenwoordig maar op één ding gericht te zijn: geluk. Ieder zichzelf respecterend tijdschrift heeft wekelijks minstens een artikel over hoe dat geluk te bereiken is, sommige tijdschriften zijn er zelfs geheel aan gewijd.
De afdelingen Philosophy en Religion and Inspiration bij de Barnes and Noble staan vol met paperbacks en hardbacks die je in een x aantal stappen dichterbij deze wenselijke staat van zijn brengt. Op TED kan je uren doorbrengen met het kijken naar inspirerende speeches over dezelfde stappen, en geslaagde experimenten.

Het is in principe mogelijk om dagen en weken door te brengen met leren over geluk. Maar dan? Als je al die kostbare tijd, die je ook door had kunnen brengen in de zon, met je geliefde of met vrienden en lekker eten, kwijt bent en een enorme berg informatie rijker. Wat dan?

Ga je dan al die adviezen in praktijk brengen? Maak je dan dagelijks een lijstje dat je kunt afwerken - want de gemiddelde mens houd van lijstjes - en staan daar dan een paar makkelijk te bereiken doelen op - want dat geeft voldoening en leidt tot meer actie? Of laat je alles los - want alleen dan kan je het ware geluk ervaren - en ga je op een berg in Azië mediteren in een kleurrijk gewaad - omdat ze daar pas echt begrijpen wat geluk is?

Het moge duidelijk zijn dat ik al vele uren heb doorgebracht met het lezen van artikelen en het zien van filmpjes die inspireren tot een gelukkiger leven. Natuurlijk wil ik er alles aan doen om me nog gelukkiger te voelen dan ik al ben. Want dat moet ook gezegd worden: ik ben al aardig gelukkig. Een vriend verzuchtte dan ook met draaiende ogen "Oh nee hè, toch niet zo'n boek over dat het de kleine dingen zijn die nog gelukkiger maken, dat je met vrienden in de zon lekker moet eten enzo. Dat weten we nu toch wel?" Ik sprak met hem over het boek The Happiness Project, waarin Gretchen Rubin experimenteert om met kleine veranderingen in haar leven nog gelukkiger te worden.

Enerzijds moest ik hem gelijk geven: het is allemaal al duizend keer gezegd, het is oude koek, we weten het wel. Aan de andere kant geloof ik dat je het niet vaak genoeg kunt horen (of lezen), want blijkbaar zijn we hardleers en is het helemaal niet zo makkelijk om al die dingen daadwerkelijk in praktijk te brengen. Het boek van Gretchen Rubin laat zien dat je helemaal niet je leven overhoop moet gooien om gelukkiger te worden, maar dat een beetje meer slaap, een beetje meer liefde en een beetje meer aandacht al grote veranderingen kunnen brengen. En dat lijkt me nou helemaal niet zo'n vervelende boodschap voor al die mensen - inclusief ikzelf - die zich soms afvragen: wat nu?

dinsdag 7 juni 2011

Routine

De wekker gaat om acht uur, snoozen kan met gemak nog een half uur. Te warm, te fijn.
Te laat. Douche, thee, met natte haren de trap af.
Twee blokken tot aan Lafayette, dan linksaf naar Bedford. Dag mannen op straat. Dag mannen bij de bodega. Dag mannen bij de bushalte.
Trap af, rechts naar beneden. Doorlopen tot het eind, want hier stopt de metro niet halverwege. Wachten.
Instappen. Blijven staan bij de andere deur.
Myrtle-Willoughby. Flushing. Broadway. Metropolitan.
Mensen kijken.
Tegen de menigte in de trap op. Half rennend met de meute mee.
Trap af en trap op. In de tussentijd goed luisteren.
Op het perron doorlopen tot de tweede rij reclameposters.
Instappen. Spieden naar een zitplaats.
Bedford. 1st Ave. 3rd Ave. Union Square. 6th Ave.
Uitstappen en direct de linkertrap omhoog. Hopen dat de F er zo aan komt.
Doorlopen tot na de bankjes. Hopelijk weer een kans om een metromuzikant te filmen.
Instappen. Blijven staan.
23rd.
Uitstappen en links de trap omhoog.
Lucht. Regen of zon? Rechtsaf, 6th Ave op.
Schuin oversteken als het verkeer het toelaat.
A large earl grey tea with milk please.
$2.45
24th street inlopen.
Schuin oversteken naar het groene luifeltje. Paws in Chelsea.
De blaffende hondjes onder me laten en naar de 2e etage.
Laat de dag maar beginnen.

woensdag 18 mei 2011

Marketing

Ik zit achter mijn Apple laptop, met in mijn hand een net geopend flesje Mountain Spring water van Trader Joe's. Naast mijn computer liggen de restanten van een Wholefoods scone. Met mijn blauwe Wolky schoenen tik ik zachtjes op de grond terwijl ik de juiste zinnen probeer te vinden. Het labeltje van mijn Victoria Secrets bh prikt in mijn rug, vergeten te verwijderen. Ik neem nog een slok water en sta op om een kopje Twinnings Earl Grey thee te maken. In de tussentijd vraag ik me af waar ik zo zal gaan eten. Bij een van de nabije organic restaurantjes, of bij een van de grotere ketens, als Humus Place, of Sushi Samba?
Teveel keus.

Ik wil naar de film, gelukkig is er geen Pathe te vinden, hier in New York, wel Angelica of IFC. Mijn oog, met maandlenzen van Bausch & Lomb, valt op The greatest movie ever sold. Ik neem de MTA metro naar Broadway en Lafayette en even later zak ik diep weg in het rode pluche.

Wanneer het licht uit gaat word ik anderhalf uur lang overspoeld met al dan niet verborgen reclamebeelden. Het gaat snel, en ik wantrouw alles wat ik zie. Hoe kan het dat we het doodnormaal vinden dagelijks belaagd te worden door bedrijven en organisaties die droomwerelden beloven? Hoe hebben we het laten gebeuren dat niet wij verzinnen wat we doen, maar we dat door anderen laten bepalen? En, belangrijker, waarom trappen we er in? Waarom hebben we er geen moeite mee, dat alles wat we zien gesponsord is, of verkocht moet worden? Waarom halen we onze schouders op en gaan we door, met precies dat te doen wat de bedrijven bedacht hebben dat wij willen doen?

Als ik na afloop duizelig naar buiten loop heb ik dorst. Ik loop een bodega binnen en koop een POM. Gek, daar had ik nog nooit eerder zin in.

zaterdag 14 mei 2011

Bill

Het is met New York net als met andere grote steden. De echte New Yorkers wonen niet meer op Manhattan. Net zoals de echte Amsterdammers voor het merendeel ergens diep in Almere wonen, zo wonen de meeste New Yorkers inmiddels in Brooklyn, Queens of the Bronx. Dus van wie is New York? Van de toeristen, die met zijn zevenenveertig miljoenen jaarlijks het eiland bewandelen? Of de acht-punt-twee miljoen inwoners, die vanuit de hele wereld hier naar toe komen om hun geluk te beproeven in de stad waar alles kan?

Is New York van de bankiers, die in het zuidelijkste puntje van het eiland op een gebied dat niet groter is dan een paar vierkante kilometer, beslissingen nemen die de rest van de wereld beïnvloeden? Is het de stad van de bedrijven die allemaal proberen mee te surfen op de energie golf waar NYC zo bekend om staat? Of is het de stad van de kunstenaars, de Andy Warhols en Woody Allens, die zowel vroeger als nu de culturele waarden bepalen voor zoveel verschillende genres?

Als New York al van iemand kan zijn, dan lijkt me dat het de stad van Bill Cunningham is. Bill Cunningham verhuisde in 1948 naar New York, en fotografeert al jaren niet alleen de bijzondere evenementen in de stad, maar ook de mode die hij op straat tegen komt. Zijn eerste spread in de New York Times was het begin van een voortdurende verzameling foto's die het mode tijdsbeeld van de stad op een prachtige manier weergeeft. Bill brengt de catwalk naar de straat en toont hoe de 'gewone' New Yorkse vrouwen hun eigen draai geven aan de mode die door designers wordt bedacht.



In de film Bill Cunningham New York wordt een portret geschetst van een uiterst aimabele en ontroerende man van tachtig. Een man met een grote lach, die zijn gezicht tot en met zijn ogen aan toe open breekt. Een man die nog steeds op zijn fiets de stad doorkruist, van society gebeuren naar society gebeuren, waar hij gezellig praat met alle aanwezigen - die hem natuurlijk allemaal kennen - maar waar hij nooit iets zal eten of drinken. "Ik ben daar aan het werk." Een man die al meer dan veertig jaar in een van de artist lofts van Carnegie Hall woonde, totdat hij met de twee andere laatste bewoners vorig jaar alsnog werd verdreven, die een kamertje had dat vol stond gestouwd met archiefkasten, waar hij al zijn foto's in bewaarde, waar hij tussen sliep, op een eenpersoonsstretcher met een laken en een deken. En die in zijn nieuwe appartement dat uitkijkt op Central Park de nieuwe keuken eruit liet slopen om plaats te maken voor zijn kasten. Een man die altijd in een blauwe overjas rond loopt, omdat die niet stuk gaat door zijn camera die er voortdurend tegenaan schuurt. Een man die overal vrienden heeft, maar die niemand dichtbij laat. Waarvan niemand precies weet wat zijn geschiedenis is, of hij wel eens verliefd is geweest en wie zijn 'echte' vrienden zijn. Een man die niet het middelpunt wil zijn, die niet teveel nadenkt over zijn eigen impact op anderen, maar die al dan niet bewust anderen raakt. Een man die precies weet wat hij wil zeggen als hij met zijn foto's in de weer is, maar die stil wordt als het over hem gaat. Een man die is vergroeid met New York, die leeft van de stad en die de stad zijn leven heeft gegeven. Door er te zijn, door te kijken en door vast te leggen.

"He who seeks art will find it," zegt hij op het eind. En zo is het.



Bill werkt nog steeds voor de Times.

woensdag 11 mei 2011

Earthalujah!

New York is de stad van de consumptie. Eten, kleren, spullen, ideeën, ervaringen. Alles is te koop. Duizenden restaurantjes, diners en bars lokken je naar binnen om bij hen je volgende maaltijd te nuttigen. Kledingzaken stunten met goedkopere, duurdere, mooiere, betere of bijzonderdere kleren dan je elders vinden kan. Op Manhattan sluit de ene straat met prachtige en begerenswaardige spullen naadloos aan op de volgende, zodat je je voortdurend in een wereld van hebzucht bevind.

Geruime tijd geleden, lang voordat ik naar New York vertrok, besloot ik zo min mogelijk te consumeren. Waarom zoveel spullen in mijn huis? Waarom steeds weer nieuwe kleren? Met die gedachte in mijn hoofd probeer ik iedere keer weer bewust te kiezen: waarom wil ik dit hebben, wil ik het echt? Word ik er gelukkiger van?
Deels is het gemakkelijk: je kunt niet alles kopen, je kunt niet alles bezitten. Mijn slinkende bankrekening maakt dat ik redelijk probleemloos langs alle verleidingen kan lopen. Maar soms, soms zou ik willen dat ik veel geld had, zodat ik die mooie boekjes kon kopen, of die geweldige tas, die prachtige schoenen en al die lekkere dingen die ik zie.

Lange tijd was ik op zoek naar medestanders, mensen om mijn geloof mee te delen. Ze zijn er natuurlijk wel, maar ik vond ze vaak niet radicaal genoeg. Tot ik Reverend Billy and the Church of Earthalujah vond, die niet alleen mijn ideeen delen, maar ze ook nog eens heel goed weten uit te dragen. Tijdens de wekelijkse 'service' zingt het Stop Life After Shopping Gospel Choir liederen als "Stop Shopping, Shop no more, We won't shop again, forever and amen", "Earth is speaking, do you speak earth? Got to listen harder, put your ear to the dirt".



Ze zijn echter niet alleen wekelijks in een theater te vinden. Hun echte activiteiten vinden buiten plaats, in parken en op pleinen, en bij voorkeur in winkels, waar ze proberen consumenten wakker te maken en de duivel uit de kassa verjagen. Naast acties tegen Starbucks, Victoria Secret, en inkopen in het algemeen, organiseren ze ook verschillende campagnes die onder drie initiatieven vallen:

* het ondersteunen en pleiten voor duurzame consumptie
* het stimuleren van sterke lokale bedrijven
* het verdedigen van het Eerste Amendement en de openbare ruimte.

Dit leidde tot acties voor het behoud van Union Square park, Coney Island en recentelijk tegen Mountaintop Removal, waarbij bergtoppen worden opgeblazen om kolen te delven.

Ik ben geinspireerd geraakt door Reverend Billy en zijn koor. Los van hun hoge entertainment gehalte dragen ze een boodschap uit die ik steun. Ze bekijken de wereld op een manier die ik graag overneem, en die ik met liefde predik. Met andere woorden: ik ben bekeerd.
Earthalujah!


donderdag 28 april 2011

Choreografie

Mensen staan her en der verspreid. Sommigen zitten op houten bankjes. Iedereen lijkt in gedachten verzonken, kijkt voor zich uit, of speelt een spelletje op zijn telefoon. Sommige mensen hebben oordopjes in, waar vlagen van luide muziek uit komt. De verschillende liedjes vormen samen een ruis, waarbij soms bepaalde liedjes harder te horen zijn.

Dan een hard geluid. Twee lichtjes die dichterbij komen. Het geluid van openschuivende deuren. Er komt beweging in de massa. Vanuit hun verschillende uitgangspunten bewegen ze allemaal naar dezelfde plek toe. Ze verenigen zich met nieuwe mensen, voorbijgaande personages in ieders leven.

Terwijl de snelheid de choreografie overneemt vindt de massa één ritme. Samen bewegen ze naar links, naar rechts. Het zijn kleine bewegingen, maar perfect gecoördineerd, allemaal op hetzelfde moment. Iedereen houdt zich vast, sommigen zitten, anderen leunen tegen deuren of palen. Maar ze hebben allemaal hetzelfde ritme. Het lijkt ongecontroleerd, plotseling.

Ze blijven allemaal onverstoord voor zich uit kijken, of naar beneden, waar ze boekjes of telefoons in hun handen hebben. Ze proberen elkaar niet aan te raken, wijken uit wanneer iemand te dichtbij komt. Om elkaar dan weer, soms bedoeld, soms onbedoeld, op te zoeken. Een voet raakt een been, een hand raakt een rug. Kleine tekenen van saamhorigheid, van deel uit maken van de groep. Bevestigingen van elkaars bestaan. Heel soms kruisen blikken elkaar. Dan wordt geknikt, soms gelachen.

Wanneer de deuren weer open gaan herhaalt het ritueel zich. Oude voorbijgangers verlaten de groep, nieuwe komen erbij en pikken moeiteloos het ritme van de snelheid op.

zondag 17 april 2011

Fietspad oorlog

Het kopen van een fiets, een paar weken geleden, ging gepaard met allerlei goede raad - over de gevaren van fietsen zonder helm, en de noodzaak van goede sloten - die tot honende blikken van mij kant leidde. Een Amsterdamse laat zich natuurlijk niets vertellen over sloten (alhoewel ik thuis uit luiheid al jarenlang met één slot door het leven ga, en dat nog steeds goed gaat) en ik zal nog niet dood met een helm op mijn hoofd gevonden willen worden.
Steeds weer werd er berispend gesproken dat New York toch echt niet te vergelijken is met Amsterdam, dat schattige dorp met grachten. Nee, hier, in de stad van de criminaliteit en de gekken, is fietsen een levensgevaarlijke onderneming die serieus moet worden genomen en waar niet te licht gedacht mag worden over veiligheid en diefstal.

Vooralsnog fiets ik dolgelukkig helmloos door de stad. De gekte die me voorspeld werd valt mee, alhoewel ik wel iets oplettender van Ave naar Ave peddel dan dat ik in Amsterdam over de grachten fiets. Maar om nou te zeggen dat het een wildernis is. Nee. In tegendeel: het is heerlijk om met de wind in je haar over de Brooklyn Bridge naar Manhattan te fietsen (maar pas op voor toeristen!), of in Williamsburg koffie te gaan drinken en niet in de donkere metro te hoeven stappen om er te komen.

Ik kwam er echter achter dat hier een verborgen geschiedenis ligt, waar ik mij niet bewust van was.

Om in het zogenaamde hipster gedeelte van Williamsburg te komen, waar de fijne cafeetjes en restaurantjes zijn, moet ik vanuit Bed-Stuy waar ik woon door een wijk waar Chassidische Joden wonen: mannen met hoge zwarte hoeden en pijpenkrullen, vrouwen met pruiken of hoofddoekjes, lange rokken, zwarte nauwsluitende jassen, kinderen met soortgelijke pijpenkrullen en achttiende eeuwse kledij, het wemelt ervan. Tijdens een wandeling enkele weken geleden voelde ik me al, zwak gezegd, niet geheel op mijn plaats. Ik liep natuurlijk in mijn korte rok het straatbeeld te vervuilen, dus met een beetje moeite kon ik me voorstellen dat ik daarom niet alleen volledig genegeerd werd, maar ook dat mensen uit voorzorg de straat overstaken om mij niet tegen te hoeven komen. Al fietsend kwam ik er achter dat dit gedrag echter ook mijn veiligheid op het spel zet, want in hun drang mij niet te willen zien steken mensen snel vlak voor me over, of rijden ze stoïcijns door zonder mij de voorrang te geven wanneer ik die wel heb. Ze hebben letterlijk een blinde vlek voor mensen die niet bij hun gemeenschap horen.
Dit gegeven maakt bij mij nogal veel gefrustreerde gevoelens los over religie, verdraagzaamheid, superioriteit en meer van dien. Toen ik die uitte tegen een vriendin, vertelde zij me over de fietspadoorlog die in 2009 plaats heeft gevonden.



New York creëert steeds meer fietspaden en -routes, waaronder ook de Bedford bike lane, die heel Brooklyn doorkruist en die mij veilig richting Williamsburg Bridge, cafe's en yoga brengt. Toen de Chassidische gemeenschap klaagde omdat het fietspad een gevaar voor 'veiligheid en religie' was (zogenaamd omdat kinderen niet veilig uit schoolbussen konden stappen omdat die niet op het fietspad mogen parkeren - maar eigenlijk omdat de kledingstijl van de hipsters de religieuze voorschriften van de Joden in het nauw brengt, zij mogen geen onbedekte huid zien), besloot het Department of Transportation de fietspaden te verwijderen. Hierbij hadden ze niet gerekend op de creatieve aard van de hipsters, die de fietspaden 's nachts weer aanbrachten en om hun protest kracht bij te zetten daarnaast opriepen tot een Freedom Ride waarbij zij topless door de wijk zouden fietsen. Een hevige sneeuwstorm voorkwam dat, maar weerhield de fietsers niet ervan om met voorgebonden plastic borsten blijk van hun ongenoegen te geven.
Het resultaat? Een mooiere, veilige, fietsbaan, enkele blokken verder, en een druk bezocht en duidelijk zichtbaar fietspad op Bedford. Je zou denken dat zeker in een stad als New York, de stad van de immigranten, verschillende mensen met elkaar kunnen leven. Als het hier al niet kan, hoe kunnen we dan hoop hebben voor al die andere plaatsen van onverdraagzaamheid?

dinsdag 12 april 2011

Sokken

Er is een werelden van sokken. Sokken met een levensverhaal en karakteromschrijving. Ze leven in een wereld waarin je de ene sok nou eenmaal niet kunt vergelijken met de andere. Omdat geen enkele sok hetzelfde is.
Deze sokwereld is vergelijkbaar met die van ons. Er is muziek, er is televisie, en natuurlijk zijn ze ook te vinden op Facebook en Myspace. En deze sokwereld heeft een God. Die Marty Allen heet. En die van gewone sokken personages maakt. Waar hij dan filmpjes mee opneemt, en muziek. En waar hij foto's van verkoopt, in fotolijstjes die hij in een oplage van twintig duizend uit China liet overkomen. Waarop hij op de achterkant de persoonlijkheid van de geportretteerde sok uitlegt. Portretten, die overigens ook al heel veel over de desbetreffende sok vertellen.

Wanneer je met Marty praat, als hij achter zijn stalletje staat, praat hij heel snel. Echt, razend snel. En hij zegt de woorden sock puppets meerdere keren in elke zin. Maar hoe je het ook wendt of keert, hij leeft van zijn sokken. Zijn sokken zijn zijn inkomen.

Ik weet niet of dat komt door de energie en charme van hun schepper, of door hun geweldige uitstraling, hoe dan ook: ook ik liep weg met een portret onder mijn arm. Of beter: zorgvuldig ingepakt in bubbeltjesplastic, (beter bekend als noppenfolie maar dat vind ik niet bij deze sokken passen), want Marty vond het maar niets, mijn idee om het portret gewoon in mijn tas te stoppen tussen de boeken. Liever pakte hij het goed in.

Mijn mede-sokken-portret-adoptie-genoot al snel zijn keuze liet vallen op Lillith Lollybottom, die hem zwoel en zelfs een tikkeltje verlopen aankeek, mijn keus viel op Plim of Zimmy Zambini. Waar Plim er nogal cool uitzag, met haar dat door een windvlaag nonchalant één kant op leek te zijn gewaaid, een soort van rockster zeg maar, zag Zimmy eruit alsof ze net een spook had gezien, of alsof ze zichzelf net in een spiegel had bekeken. Haar haar door alle stress alle kanten op, haar mond nog open na haar schreeuw. Ze leek gered te moeten worden.

Marty stelde me echter gerust: Zimmy is de slimme zus van Plim en Plom, waar ze samen The Fabulous Flying Zambinis mee vormt; een wereld bekend acrobaten trio, waarvan de ouders verpletterd werden door een olifant toen de kinderen nog klein waren. Ze werden door de andere circusartiesten goed opgevangen en ze zorgen goed voor elkaar. Zimmy is de virtuoos van de de drie getalenteerde artiesten, maar heeft een tere geest.

Toen was de keuze snel gemaakt. Plim zou zichzelf wel redden. Ik zorg voor Zimmy.

maandag 4 april 2011

Sketchbook

Eens per jaar gaan er duizenden lege boekjes de hele wereld over. Overal zitten mensen ongeduldig te wachten tot hun nieuwe blanco schat binnen komt, zodat ze er hun ziel en zaligheid in kwijt kunnen. je zou het kunnen vergelijken met een dagboek. Maar waar een dagboek als het volgeschreven is met alle verdriet en vreugde die in de voorgaande periode langs kwam, vervolgens op een plankje of in een doos wordt weggelegd, worden deze boekjes weer teruggestuurd. Nadat hun eigenaars er maanden in hebben geschreven, getekend, geplakt, en geknipt om er een uniek kunstwerkje van te maken, gaan ze terug naar de plek waar ze vandaan kwamen: de Art Library in Brooklyn.

The Sketchbook Project: 2011

The Sketchbook Project is een verzameling van werelden. Van woorden, tekeningen, plaksels, stofjes en verf. Van lieflijke engeltjes die mooie zinnetjes produceren tot eenkoppige monsters die je grauw en koud aankijken vanaf de donker gekleurde pagina's. Er zijn boekjes die uitpuilen omdat ze vol nieuwe informatie zitten, waarbij de pagina's bij elkaar gehouden worden door elastiek of touw. En er zijn boekjes die uitgehold zijn, waarbij pagina's deels zijn weggehaald, aan elkaar zijn geplakt, om nieuwe vormen te maken.
Bovenal is het een verzameling van liefde. Want hoe verscheidend de inhoud ook moge zijn, en hoe verschillende de levens van de makers ook mogen zijn, al die mensen hebben met liefde hun boekje gevuld. Dat kan niet anders. Ze hebben erover nagedacht, er tijd een aandacht aan besteed. En vervolgens hebben ze de moeite genomen om hun kleine wereld weer in te pakken en terug te sturen.

Zodat er nu jaarlijks duizenden boekjes door Amerika reizen. Om broederlijk, rug aan rug, te wachten tot andere mensen hen uit die enorme stapel trekken er erdoorheen bladeren. Om heel even ontroerd te raken of te moeten lachen, of onder de indruk te zijn, van het werk van de maker.

donderdag 31 maart 2011

Verbeelding

Misschien zijn alle relaties nep omdat ze uiteindelijk alleen bestaan in onze verbeelding. Is het niet zo dat we allemaal vriendschap en liefde en waarschijnlijk ook haat op onze eigen manier invullen? Wat is dan de waarde van vriendschap, als beide partijen er eigenlijk, in het diepst van hun gedachten, anders in staan? En nog erger, wat is dan de betekenis van liefde? Is het niet een schijn-samenzijn van twee mensen die denken iets met iemand te delen die daar zelf heel anders over denkt?

Het lijken enorm cynische gedachten, maar ze werden opgeroepen door twee bijzondere films die naar mijn idee beide over precies dit dilemma gaan. Een dilemma dat overigens enorm kan worden doorgetrokken, want er moge dan bijvoorbeeld een afspraak zijn over wat 'groen' is, maar is mijn 'groen' ook jouw 'groen', of is dat eigenlijk mijn 'rood'? Ik kan mezelf helemaal verliezen in dit soort gedachten. Dus is het fijn dat er films zijn die dat al voor je gedaan hebben.

In Les amours imaginaires zoeken twee vrienden, Marie en Francis, naar echte liefde. Ze denken die beide te kunnen vinden bij Niko die in hun verbeelding een Adonis wordt, maar die nogal onbeslist en arrogant overal tussendoor dwarrelt. Hij beweert van beiden te houden maar maakt uiteindelijk geen keuze en laat hen allebei verloren achter. Beide denken ze een kans te maken, beide hebben ze hoop en beide stellen ze zich voor, samen met hem te zijn, hun eigen vriendschap daarbij volkomen uit het oog verliezend. Het zou een treurige en tranen trekkende bedoening zijn geweest als het niet allemaal zo prachtig was gefilmd. Francis die als een nieuwe James Dean nonchalant maar zenuwachtig zijn haar in een kuif kamt. Marie die in jaloersmakende vintage jurken en kanten handschoenen sigaretten rookt tegen een pastelkleurige achtergrond. Close-ups van stukjes lijf, details, blikken die direct allerlei tegenstrijdige gevoelens oproepen.



En dan Copie Conforme, over een man en een vrouw, die elkaar ontmoeten tijdens een lezing van hem over echte en imitatiekunst. Het gesprek dat ze hebben over wanneer iets of iemand echt is, lijkt in eerste instantie een opbouw naar hun romance, maar ontwikkelt zich langzaam naar de realiteit van de film. In plaats van dat ze praten over echt en imitatie, verandert hun relatie en wordt je als kijker meegenomen in een spel tussen hen en jou. Alle verwachtingen die je hebt, over hun romance maar ook over de verhouding tussen kijker en film worden getest en aan het wankelen gebracht. Waar je eerst denkt mee te gaan in hun 'spel' vermoed je even later dat ze speelden toen je dacht dat wat je zag echt was.



Dus, wat is echt? Ik ga maar uit van mijn eigen gevoelens. Die kan ik het meest op hun ware waarde schatten. Alhoewel dat soms achteraf ook anders bezien kan worden..

zaterdag 26 maart 2011

Teddy

In principe zijn er maar drie dingen nodig om mij gelukkig te maken. Een podium. Een man. Een instrument. De intensiteit van het geluk kan afhangen van de intimiteit van het podium, de aantrekkelijkheid van de man en het soort instrument - vooralsnog word ik gelukkiger van piano en gitaar dan van triangel, maar daarmee wil ik niet uitsluiten dat er ooit een geweldig goede, en wellicht aantrekkelijke triangelspeler zal zijn die mij tot in het diepste puntje van mijn ziel weet te raken.
Vooralsnog zijn het echter vooral piano's en gitaren die het 'm doen. Ik vind dat niet teveel gevraagd. Zeker niet als ik in het ergste geval - groot podium waar ik op grote afstand van sta, lelijke man die niet kan zingen en vals instrument - alsnog geroerd kan raken door de knulligheid ervan.

Deze avond had echter goede variabelen, zowel qua podium, man als instrument, en was ook nog eens op een bijzondere locatie, het Rubin Museum of Himalayan Art, waar maandelijks de Naked Soul avonden worden georganiseerd. Avonden waarop er op het podium niet meer staat dan een man (en soms vrouw, denk ik) met een instrument, en misschien een microfoon. In dit geval stond de microfoon niet aan. Hij stond er wel, zodat de artiest ergens achter kon staan, maar hij deed het niet. De zaal kon het hebben.

Teddy Thompson, de man in kwestie, stond ongelofelijk nonchalant te wezen. Spijkerbroek, dun vest, long sleeve t-shirt en gitaar. Alsof hij tijdens het joggen door Chelsea langs het museum was gerend en bedacht dat hij eigenlijk net zo goed even kon gaan spelen. De eerste liedjes speelde hij zonder ook maar een woord uitleg te geven. Hij leek een beetje ongemakkelijk, daar in zijn eentje op dat grote podium. Maar langzaam kwam hij steeds meer los, vertelde dat hij eigenlijk geen playlist had, en moest herhaaldelijk zijn iPod erbij halen om te kijken hoe zijn eigen liedjes ook alweer gespeeld moesten worden. Hij was net terug uit Californië, wat hij zelf verklaarde als reden voor zijn relaxedheid.

Ik realiseerde me dat ik, hoewel ik zijn muziek al jaren ken en graag luister, geen enkele tekst ken, en alleen maar melodieën herken. Die dan wel weer lekker meeslepend zijn. Ik ken ook geen enkele titel uit mijn hoofd, zoals andere bezoekers die Teddy probeerden te helpen bij het kiezen uit zijn repertoire. "No, can't do that one without band". "That one is too difficult to sing alone." "I haven't sung that in a long time, don't remember the lyrics."

Door het wegvallen van alle opsmuk, bleef er niet veel meer over dan zijn teksten. En nu pas, voor de eerste keer, hoorde ik hoe groot het verlangen en de deceptie aanwezig zijn in zijn liedjes. Hij wil haar weg hebben, mist haar, voelt zich afgewezen, vraagt zich af wat ze nog samen doen. Teddy's liedjes gaan bijna allemaal over de liefde! En dat maakt hem natuurlijk alleen nog maar nóg leuker!



En een van mijn favorieten: